You are here: Grammar > Verbs > Inseparable verbs list

Inseparable verbs list
  • Click here to print this page. Only the contents of the middle column will be printed.
  • Send this page by e-mail
  • {Add this page to your favourites [IE])
  • Report an error
  • View wiki code of this page

In general, verbs that start with aan, achter, door, om, onder, over, voor, and weer are separable compound verbs. In the list below you will find the exceptions to this rule: They are all inseparable.

As you can see, most exceptions are om, onder and over verbs.

Verb Simple present Present perfect Translation
Aanbidden hij aanbidt hij heeft aanbeden to worship, to adore
Aanschouwen hij aanschouwt hij heeft aanschouwd to witness
Aanvaarden hij aanvaardt hij heeft aanvaard to accept
Achterhalen hij achterhaalt hij heeft achterhaald to recover
Achtervolgen hij achtervolgt hij heeft achtervolgd to haunt, to stalk
Doordringen hij doordringt (iemand van iets) hij heeft doordrongen to convince (someone of something)
Doordrenken hij doordrenkt hij heeft doordrenkt to soak (something)
Doorstaan hij doorstaat hij heeft doorstaan to endure
Doorzien hij doorziet hij heeft doorzien to see through
Omarmen hij omarmt hij heeft omarmd to embrace
Omcirkelen hij omcirkelt hij heeft omcirkeld to encircle, to surround
Omfloersen hij omfloerst hij heeft omfloerst to muffle, to veil, to drape
Omgeven hij omgeeft hij heeft omgeven to surround
Omheinen hij omheint hij heeft omheind to fence in, to hedge in, to enclose
Omhelzen hij omhelst hij heeft omhelsd to hug
Omhullen hij omhult hij heeft omhuld to envelope, to wrap round
Omkleden hij omkleedt hij heeft omkleed to drape, to clothe an idea with words
Omklemmen hij omklemt hij heeft omklemd to clasp, to grasp, to grip, to hug
Omlijnen hij omlijnt hij heeft omlijnd to outline
Omlijsten hij omlijst hij heeft omlijst to (put in a) frame
Ommuren hij ommuurt hij heeft ommuurd to wall in
Omranden het omrandt het heeft omrand to border, to edge, to rim
Omringen hij omringt hij heeft omringd to surround, to enclose
Omschrijven hij omschrijft hij heeft omschreven to define, to describe
Omsingelen hij omsingelt hij heeft omsingeld to siege, to belaeguer
Omsluieren hij omsluiert hij heeft omsluierd to veil
Omsluiten het omsluit het heeft omsloten to enclose, to surround
Omvatten het omvat het heeft omvat to include, to cover
Omwallen hij omwalt hij heeft omwald to wall in, to circumvallate
Omwinden hij omwindt hij heeft omwonden to entwine, to wrap up/round
Onderbelichten hij onderbelicht hij heeft onderbelicht to under-expose, to under-illuminate
Onderbouwen hij onderbouwt hij heeft onderbouwd to bear out (an opinion)
Onderbreken hij onderbreekt hij heeft onderbroken to interrupt
Onderdrukken hij onderdrukt hij heeft onderdrukt to oppress, to suppress, to subdue
Ondergaan hij ondergaat hij heeft ondergaan to undergo
Onderhandelen hij onderhandelt hij heeft onderhandeld to negotiate
Onderhouden hij onderhoudt hij heeft onderhouden to provide (living), to maintain
Onderkennen hij onderkent hij heeft onderkend to discern, to diagnose
Onderkoelen hij onderkoelt hij heeft onderkoeld to 'under-cool'
Onderleggen hij onderlegt hij heeft onderlegd to give a grounding (for a statement)
Onderlijnen hij onderlijnt hij heeft onderlijnd to underline
Ondermijnen hij ondermijnt hij heeft ondermijnd to undermine
Ondernemen hij onderneemt hij heeft ondernomen to undertake
Onderrichten hij onderricht hij heeft onderricht to teach
Onderschatten hij onderschat hij heeft onderschat to under-estimate
Onderscheiden hij onderscheidt hij heeft onderscheiden to distinguish
Onderscheppen hij onderschept hij heeft onderschept to intercept
Onderschrijven hij onderschrijft hij heeft onderschreven to endorse, to support (a view)
(Voor-, ver-)onderstellen hij (voor-, ver-)onderstelt hij heeft (voor-, ver-)ondersteld to presume
Ondersteunen hij ondersteunt hij heeft ondersteund to support, to assist
Onderstrepen hij onderstreept hij heeft onderstreept to underline, to underscore
Ondertekenen hij ondertekent hij heeft ondertekend to sign (signature)
Ondertitelen hij ondertitelt hij heeft ondertiteld to sub-title
Ondervinden hij ondervindt hij heeft ondervonden to experience
Ondervoeden hij ondervoedt hij heeft ondervoed to starve, to under-feed
Ondervragen hij ondervraagt hij heeft ondervraagd to interrogate
Onderwerpen hij onderwerpt hij heeft onderworpen to submit, to subject
Onderwijzen hij onderwijst hij heeft onderwezen to teach
Onderzoeken hij onderzoekt hij heeft onderzocht to research, to examine
Overbelasten hij overbelast hij heeft overbelast to overburden, to overload
Overbelichten hij overbelicht hij heeft overbelicht to over-expose (to light)
Overbevolken n/a overbevolkt to overburden, to overload
Overbluffen hij overbluft hij heeft overbluft to bluff, to overbear
Overbruggen hij overbrugt hij heeft overbrugd to bridge
Overdekken hij overdekt hij heeft overdekt to cover in (up, over), to roof over (in)
Overdenken hij overdenkt hij heeft overdacht to think over, to consider
Overdonderen hij overdondert hij heeft overdonderd to overwhelm, to intimidate
Overdrijven hij overdrijft hij heeft overdreven to exaggerate
Overerven hij overerft hij heeft overerfd to inherit
(zich) overeten hij overeet zich hij heeft zich overeten to overeat
Overgieten hij overgiet hij heeft overgoten to water (plants), to pour over
Zich overhaasten hij overhaast zich hij heeft zich overhaast to hurry, to hustle
Overhandigen hij overhandigt hij heeft overhandigd to hand (over)
Overheersen hij overheerst hij heeft overheerst to domineer over, to dominate
Overhoren hij overhoort hij heeft overhoord to hear (lessons, homework)
zich overijlen hij overijlt zich hij heeft zich overijld to hurry, to rush
Overkappen hij overkapt hij heeft overkapt to roof in, to cover (in)
Overkoepelen het overkoepelt het heeft overkoepeld to overarch, to cover
Overkomen het overkomt het is overkomen to befall
Overladen hij overlaadt hij heeft overladen to overload
Overleggen hij overlegt hij heeft overlegd to discuss
Overleven hij overleeft hij heeft overleefd to survive
Overlijden hij overlijdt hij is overleden to die
Overmannen hij overmant hij heeft overmand to overpower, to overcome
Overmeesteren hij overmeestert hij heeft overmeesterd to overpower, to conquer
Overnachten hij overnacht hij heeft overnacht to stay the night
Overpeinzen hij overpeinst hij heeft overpeinsd to reflect, to think over
Overreden hij overreedt hij heeft overreed to persuade, to convince
Overrijden hij overrijdt hij heeft overreden to run (drive) over
Overrompelen hij overrompelt hij heeft overrompeld to take s.o. by surprise
Overschaduwen hij overschaduwt hij heeft overschaduwd to overshadow
Overschatten hij overschat hij heeft overschat to overestimate
Overschrijden hij overschrijdt hij heeft overschreden to exceed
Overstelpen hij overstelpt hij heeft overstelpt to overwhelm (with gifts, compliments)
Overstemmen hij overstemt hij heeft overstemd to outvote, to deafen
Overstromen het overstroomt het is overstroomd to flood (over), to overflow
Overtreden hij overtreedt hij heeft overtreden to break a rule, offend the law
Overtreffen hij overtreft hij heeft overtroffen to surpass, to excel
Overtroeven hij overtroeft hij heeft overtroefd to overtrump, to score off s.o.
Overtuigen hij overtuigt hij heeft overtuigd to convince
Overvallen hij overvalt hij heeft overvallen to surprise (attack), to rob
Oververhitten hij oververhit hij heeft oververhit to overheat
Zich oververmoeien hij oververmoeit zich hij heeft zich oververmoeid to over-fatigue, to over-tire
Oververzadigen hij oververzadigt hij heeft oververzadigd to supersaturate, to surfeit
Overvleugelen hij overvleugelt hij heeft overvleugeld to surpass, to outdo, to outflank
Overvoeden hij overvoedt hij heeft overvoed to overfeed
Overvragen hij overvraagt hij heeft overvraagd to ask too much, to over-demand
Overwegen hij overweegt hij heeft overwogen to consider, to think over
Overweldigen hij overweldigt hij heeft overweldigd to overwhelm
Zich overwerken hij overwerkt zich hij heeft zich overwerkt to work too hard
Overwinnen hij overwint hij heeft overwonnen to conquer, to overcome
Overwinteren hij overwintert hij heeft overwinterd to winter, to hibernate
Overwoekeren hij overwoekert hij heeft overwoekerd to overgrow
Overzien hij overziet hij heeft overzien to oversee, to have a view over
Voorkomen hij voorkomt hij heeft voorkomen to prevent
Voorspellen hij voorspelt hij heeft voorspeld to predict
Voorvoelen hij voorvoelt hij heeft voorvoeld to sense (in advance)
Voorzien hij voorziet hij heeft voorzien to foresee
Weergalmen het weergalmt het heeft weergalmd to echo
Weerhouden hij weerhoudt hij heeft weerhouden to stop, to dissuade
Weerkaatsen het weerkaatst het heeft weerkaatst to mirror (image), to echo
Weerklinken het weerklinkt het heeft weerklonken to echo
Weerspiegelen hij weerspiegelt hij heeft weerspiegeld to mirror, to reflect
Weerstaan hij weerstaat hij heeft weerstaan to resist
Weerstreven hij weerstreeft hij heeft weerstreefd to struggle against, to oppose

Questions? Questions?
     Visit our forum!
Last updated on June 21, 2009 ::