home
grammar
audio
to holland!
books
links
forum
how you can help
You are here:
grammar
>
verbs
>
irregular verbs
>
partly irregular verbs
> irregular verb list
You do not have javascript enabled. Please, enable javascript in your browser to view the navigation menus or visit the
sitemap
.
List of partly irregular verbs
Verb exercises
Online verb conjugator
English version by
Bieneke Berendsen
::
other languages
printer friendly verbs list
Dutch irregular verbs list in word format
In the list below, all past participles that take the auxiliary verb
zijn
are marked with an asterisk (*).
A |
B
| C |
D
|
E
|
F
|
G
|
H
| I |
J
|
K
|
L
|
M
|
N
|
O
|
P
| Q |
R
|
S
|
T
| U |
V
|
W
| X | Y |
Z
B
[
top
]
Infinitive
simple past singular
simple past plural
past participle
English
bakken
bakte
bakten
gebakken
to fry
bannen
bande
banden
gebannen
to ban
barsten
barstte
barstten
gebarsten
to burst
bederven
bedierf
bedierven
bedorven
to rot, to decay
bedriegen
bedroog
bedrogen
bedrogen
to deceive, to cheat, to trick
beginnen
begon
begonnen
begonnen*
to begin
behangen
behangde
behangden
behangen
to wall-paper
benijden
beneed
beneden
beneden
to envy
bergen
borg
borgen
geborgen
to store, to recover
bevelen
beval
bevalen
bevolen
to orde, to command
bezwijken
bezweek
bezweken
bezweken*
to succumb, to collapse
bidden
bad
baden
gebeden
to pray
bijten
beet
beten
gebeten
to bite
binden
bond
bonden
gebonden
to bind, to tie
blazen
blies
bliezen
geblazen
to blow, to spit (cat)
blijken
bleek
bleken
gebleken*
to appear, to be evident
blijven
bleef
bleven
gebleven
to stay, to remain, to keep
blinken
blonk
blonken
geblonken
to shine, to gleam
braden
braadde
braadden
gebraden
to roast, to grill
breken
brak
braken
gebroken
to break
brengen
bracht
brachten
gebracht
to bring
brouwen
brouwde
brouwden
gebrouwen
to brew
buigen
boog
bogen
gebogen
to bend
D
[
top
]
denken
dacht
dachten
gedacht
to think
dingen naar
dong naar
dongen naar
gedongen naar
to bid for, to compete for
dragen
droeg
droegen
gedragen
to carry, to bear
drijven
dreef
dreven
gedreven
to drive, to float , to manage
dringen
drong
drongen
gedrongen
to push (a crowd)
drinken
dronk
dronken
gedronken
to drink
druipen
droop
dropen
gedropen
to drip
duiken
dook
doken
gedoken
to dive
dwingen
dwong
dwongen
gedwongen
to force
E
[
top
]
eten
at
aten
gegeten
to eat
F
[
top
]
fluiten
floot
floten
gefloten
to whistle, to play the flute
G
[
top
]
gelden
gold
golden
gegolden
to be valid, to be in effect
genezen
genas
genazen
genezen
to heal, to cure
genieten
genoot
genoten
genoten
to enjoy
geven
gaf
gaven
gegeven
to give
gieten
goot
goten
gegoten
to pour
glijden
gleed
gleden
gegleden
to glide
glimmen
glom
glommen
geglommen
to glimmer, to shine, to gleam
graven
groef
groeven
gegraven
to dig
grijpen
greep
grepen
gegrepen
to grab, to snatch
H
[
top
]
hangen
hing
hingen
gehangen
to hang
heffen
hief
hieven
geheven
to raise, to lift, to levy
helpen
hielp
hielpen
geholpen
to help
heten
heette
heetten
geheten
to be called, to be named
hijsen
hees
hesen
gehesen
to hoist (sails, flag), to pull up
hoeven
hoefde
hoefden
gehoeven
to be necessary
houden
hield
hielden
gehouden
to hold
houwen
houwde
houwden
gehouwen
to hew, to hack
J
[
top
]
jagen
joeg
joegen
gejaagd
to hunt
K
[
top
]
kiezen
koos
kozen
gekozen
to choose, to elect
kijken
keek
keken
gekeken
to look
klimmen
klom
klommen
geklommen
to climb
klinken
klonk
klonken
geklonken
to sound, to ring, to clink
kluiven
kloof
kloven
gekloven
to pick (a bone), to nibble
knijpen
kneep
knepen
geknepen
to pinch, to squeeze
kopen
kocht
kochten
gekocht
to buy
krijgen
kreeg
kregen
gekregen
to get
krimpen
kromp
krompen
gekrompen*
to shrink
kruipen
kroop
kropen
gekropen
to crawl, to creep
zich kwijten van
kweet zich van
kweten zich van
zich gekweten van
to acquit oneself of
L
[
top
]
lachen
lachte
lachten
gelachen
to laugh, to smile
laden
laadde
laadden
geladen
to load, to charge
laten
liet
lieten
gelaten
to let, to allow
lezen
las
lazen
gelezen
to read
liegen
loog
logen
gelogen
to (tell a) lie
liggen
lag
lagen
gelegen
to lie (on a bed)
lijden
leed
leden
geleden
to suffer
lijken
leek
leken
geleken
to resemble, to seem
lopen
liep
liepen
gelopen
to walk
M
[
top
]
malen
maalde
maalden
gemalen
to grind
melken
molk
molken
gemolken
to milk (a cow)
meten
mat
maten
gemeten
to measure
mijden
meed
meden
gemeden
to avoid
moeten
moest
moesten
gemoeten
to must, have to
N
[
top
]
nemen
nam
namen
genomen
to take
nijgen
neeg
negen
genegen
to (make a bow
O
[
top
]
ontginnen
ontgon
ontgonnen
ontgonnen
to reclaim (land), to clear (forest), to exploit (mine)
ontluiken
ontlook
ontloken
ontloken*
to open (flower, beauty)
P
[
top
]
pluizen
ploos
plozen
geplozen
to fluff, to give off fluff
prijzen
prees
prezen
geprezen
to praise
R
[
top
]
raden
raadde
raadden
geraden
go guess
-- verraden
verried
verrieden
verraden
to betray, to give away
rijden
reed
reden
gereden
to drive, to ride
rijgen
reeg
regen
geregen
to tack, to lace, to thread
rijten
reet
reten
gereten
to tear, to rip
rijzen
rees
rezen
gerezen
to rise
roepen
riep
riepen
geroepen
to call, to shout
ruiken
rook
roken
geroken
to smell, to scent
S
[
top
]
scheiden
scheidde
scheidden
gescheiden
to divorce, to separate
schelden
schold
scholden
gescholden
to curse, to swear
schenden
schond
schonden
geschonden
to violate, to damage
schenken
schonk
schonken
geschonken
1. to donate 2. to pour
scheppen
shiep
schiepen
geschapen
to create
scheren
scheerde
scheerden
geschoren
to shave
schieten
schoot
schoten
geschoten
to shoot
schijnen
scheen
schenen
geschenen
to shine, to seem
schijten
scheet
scheten
gescheten
to shit (flat)
schrijven
schreef
schreven
geschreven
to write
schrikken
schrok
schrokken
geschrokken*
to be startled
schuilen
school
scholen
gescholen
to shelter
schuiven
schoof
schoven
geschoven
to shove
slapen
sliep
sliepen
geslapen
to sleep
slijpen
sleep
slepen
geslepen
to sharpen, to polish
slijten
sleet
sleten
gesleten
to wear out, to sell
slinken
slonk
slonken
geslonken
to shrink, to decrease in number
sluipen
sloop
slopen
geslopen
to sneak, to slink
sluiten
sloot
sloten
gesloten
to close, to shut
smelten
smolt
smolten
gesmolten
to melt
smijten
smeet
smeten
gesmeten
to throw, to fling
snijden
sneed
sneden
gesneden
to cut
snuiten
snoot
snoten
gesnoten
to snout, to blow (nose)
snuiven
snoof
snoven
gesnoven
to sniff, to snort
spannen
spande
spanden
gespannen
to strain, to bend (a bow)
spijten
speet
speten
gespeten
to regret
spinnen
spon
sponnen
gesponnen
to twist
splijten
spleet
spleten
gespleten
to split, to cleave
spreken
sprak
spraken
gesproken
to speak
springen
sprong
sprongen
gesprongen
to jump, to spring
spruiten
sproot
sproten
gesproten
to sprout, to grow out
spuiten
spoot
spoten
gespoten
to spout, to squirt
steken
stak
staken
gestoken
to stab, to prick, to sting
stelen
stal
stalen
gestolen
to steal
sterven
stierf
stierven
gestorven
to die
stijgen
steeg
stegen
gestegen
to rise
stijven
steef
steven
gesteven
to starch
stinken
stonk
stonken
gestonken
to stink
stoten
stootte
stootten
gestoten
to push, to bump
strijden
streed
streden
gestreden
to battle, to fight
strijken
streek
streken
gestreken
to iron (clothes), strike (flag), smooth (hair)
stuiven
stoof
stoven
gestoven
to cause dust to whirl, to dash forward
T
[
top
]
treden
trad
traden
getreden
to tread
treffen
trof
troffen
getroffen
to hit (goal) to strike
trekken
trok
trokken
getrokken
to pull, to draw, to travel
V
[
top
]
vallen
viel
vielen
gevallen
to fall
vangen
ving
vingen
gevangen
to catch
varen
voer
voeren
gevaren
to fare, to sail
vechten
vocht
vochten
gevochten
to fight
verdrieten
verdroot
verdroten
verdroten
to grieve
verdwijnen
verdween
verdwenen
verdwenen
to disappear
vergeten
vergat
vergaten
vergeten
to forget
verliezen
verloor
verloren
verloren
to lose
vinden
vond
vonden
gevonden
to find
vlechten
vlocht
vlochten
gevlochten
to plait, to braid
vliegen
vloog
vlogen
gevlogen
to fly
vouwen
vouwde
vouwden
gevouwen
to fold
vragen
vroeg
vroegen
gevraagd
to ask
vreten
vrat
vraten
gevreten
to eat, to devour
vriezen
vroor
vroren
gevroren
to freeze
vrijen
vree / vrijde
vreeën / vrijden
gevreeën / gevrijd
to make love
W
[
top
]
wassen
waste
wasten
gewassen
to wash
wegen
woog
wogen
gewogen
to weigh
werpen
wierp
wierpen
geworpen
to throw
werven
wierf
wierven
geworven
to recruit
weten
wist
wisten
geweten
to know
weven
weefde
weefden
geweven
to weave
wijken
week
weken
geweken
to give way
wijten
weet
weten
geweten
to blame (something) on
wijzen
wees
wezen
gewezen
to point
winden
wond
wonden
gewonden
to wind
winnen
won
wonnen
gewonnen
to win
worden
werd
werden
geworden
to become
wrijven
wreef
wreven
gewreven
to rub
wringen
wrong
wrongen
gewrongen
to wring
Z
[
top
]
zeggen
zei
zeiden
gezegd
to say
zenden
zond
zonden
gezonden
to send
(neer)zijgen
zeeg neer
zegen neer
neergezegen
to sink down
zingen
zong
zongen
gezongen
to sing
zinken
zonk
zonken
gezonken*
to sink
zinnen
zon
zonnen
gezonnen
to ponder
zitten
zat
zaten
gezeten
to sit
zoeken
zocht
zochten
gezocht
to seek, to search
zuigen
zoog
zogen
gezogen
to suck
zuipen
zoop
zopen
gezopen
to booze
zwelgen
zwolg
zwolgen
gezwolgen
to revel, to dwell (in self-pity)
zwellen
zwol
zwollen
gezwollen*
to swell
zwemmen
zwom
zwommen
gezwommen
to swim
zweren
zwoer
zwoeren
gezworen
to swear (oath)
zwerven
zwierf
zwierven
gezworven
to wander, to ramble
zwijgen
zweeg
zwegen
gezwegen
to be silent
Basic verbs
The list contains basic verbs, no derived verbs.
This means that compound verbs are not mentioned, unless the basic verb does not exist separately. For verbs like
uitzenden
(to broadcast) or
onderzoeken
(to examine) you will have to look for
zenden
(to send) and
zoeken
(to seek) respectively.
The same goes for verbs that can take different prefixes, like
be-, ge-, ver-, ont-
etc. For example, if you wish to learn the conjugation of
verlaten
(to leave), you have to look under
L
for
laten
(to let).
Questions?
Visit our
forum
!
You do not have javascript enabled. Please, enable javascript in your browser to view the navigation menus or visit the
sitemap
.
You do not have javascript enabled. Please, enable javascript in your browser to view the navigation menus or visit the
sitemap
.