Werkwoorden en voorzetsels

The exercises are only available on the 'old forum', i.e. the forum before the January 2008 update. You can still do the old exercises here: www.dutchgrammar.com/forum/quiz.php
Post Reply
User avatar
monaboy
Lid
Posts: 13
Joined: Thu Jul 03, 2008 2:49 pm
Mother tongue: Persian
Second language: Pashto
Third language: Urdu
Fourth language: English (Great Britain)

Werkwoorden en voorzetsels

Post by monaboy » Sat Feb 14, 2009 12:18 pm

Hi form genoten ,
ik heb deze opdracht gevonden, kan iemand die invullen?




Combinaties van werkwoorden en preposities


1 Zich aanmelden ______

Heb je je al aangemeld ________ die cursus?

2 In aanmerking komen ________

Kom je in aanmerking _______ die woning?

3 Zich aanpassen ________

Het is moeilijk om je aan te passen ________ de eetgewoontes in Nederland.

4 Iemand aansprakelijk stellen ________ iets

Als iemand je aanrijdt, kun je hem aansprakelijk stellen _______ de
schade.

5 Zich abonneren __________

Als je je abonneert _____ een weekblad, ontvang je dat iedere week met de post.

6 Iemand afbrengen _________ iets

Hij probeert haar ________ het roken af te brengen.

7 Allergisch zijn ____________

Zij is erg allergisch ________ huisstofmijt.

8 Afhankelijk zijn __________

Kinderen zijn in veel opzichten afhankelijk _________ hun ouders.


9 Zich afzetten _____________ iets

Zet je toch niet zo _______ haar af. Je hebt daar niets aan.

10 Afkomstig zijn _______

Deze appels zijn afkomstig __________ Brazilië.

11 Afrekenen _____

Kan ik even _____ u afrekenen?






12 Afhangen ____________

Hoe laat ga je naar huis? Dat hangt ________ de drukte op de weg af.

13 Akkoord gaan _____________

Ik ga niet akkoord _________ dat voorstel.

14 Afzien _________

Ik zie toch maar af ________ die nieuwe baan.

15 In aanraking komen ________

Zij is al op jonge leeftijd ______ drugs in aanraking gekomen.

16 Antwoorden ___

Wil je even antwoorden _______ mijn vraag?

17 Bang zijn _______

Ben je bang ________ honden?

18 Beantwoorden _____

Onze vakantie beantwoordde niet helemaal ______ onze verwachtingen.

19 Beginnen _____ iets

Zullen we beginnen ______ het volgende hoofdstuk?

20 Behoren ________

Nederland behoort _________ Europa.

21 Behoefte hebben _____

Ik heb geen behoefte _________ een vakantie dit jaar.

22 Besparen ______

In deze dure tijd moeten we allemaal besparen ______ onze uitgaven.

23 Belangstelling hebben ________

Heeft hij belangstelling ______
politiek?

24 Bekend staan __voor________

Colombia staat bekend __voor_____ zijn drugscriminaliteit.

25 Bemoeien ____

Bemoei je alsjeblieft ______ je eigen zaken!
26 Benieuwd zijn ______

Ik ben erg benieuwd ______ de uitslag van de verkiezingen.

27 Iemand benoemen _______

Hij is onlangs benoemd _________
burgemeester van Zaandam.
28 Bedroefd zijn _____

Hij was heel bedroefd ______ die brief.

29 Beschikken ______

De meeste mensen beschikken _______ een computer.

30 Bespreken ____ iemand

Ik wil dit graag even ______ je bespreken.

31 Iemand beschuldigen ____ iets

Hij wordt _____ fraude beschuldigd.

32 Bestaan _____

De mens bestaat voor 80% _____ water.

33 Bestemd zijn _____

______ wie is dit pakje bestemd?

34 Een beroep _____ iemand doen.

Je kunt altijd een beroep ____ me doen.

35 Bezorgd zijn _______

Ben je bezorgd _________ zijn situatie?

36 Blij zijn _____

De kinderen waren erg blij ________ hun cadeaus




37 Bezwaar ________ iets hebben

Heb je er bezwaar ________ als ik rook?

38 Bevallen _______

Zij is bevallen _______ een zoon.

39 Bezuinigen ______

Omdat alles zoveel duurder wordt, moeten we bezuinigen _____ onze uitgaven.

40 Bevriend zijn ______

Ze zijn al jaren ______ elkaar bevriend.

41 Beveiligen _____

Die huizen zijn beveiligd __________ inbraak.

42 Iemand betrappen _____

Ze hebben hem _____ fraude betrapt.

43 Iemand betrekken ____ iets

We moeten wel al onze buren ______ het straatfeest betrekken.

44 Bewust zijn _____ iets

Hij was zich niet bewust ______ de problemen op de afdeling.

45 Bezig zijn ____ iets

Ik kan je nu even niet helpen,ik ben ___ iets bezig.

46 In het bezit zijn ____ iets

Je moet in het bezit zijn ____ een geldig legitimatiebewijs.

47 Tijd / aandacht besteden ____ iets

Je moet niet zoveel tijd besteden ______ tv kijken!

48 Boos zijn ____ iemand

Hij was erg boos _____ zijn kinderen toen ze zoveel rommel hadden gemaakt.




49 Boos zijn ______ iets

Hij is altijd erg snel boos _____ dingen.

50 Commentaar geven / hebben ______

Hij heeft altijd overal commentaar ________.

51 Concluderen ________

Ik concludeer ______ je woorden dat je geen zin hebt om naar het feest te gaan.

52 Condoleren ________

Gecondoleerd ____________ het overlijden van je vader.

53 Danken _____

Ik dank je _______ je hulp bij dit moeilijke project.

54 Deelnemen _________

Vanwege een blessure kon ze niet deelnemen ______ de wedstrijd.


55 Denken _______ ( niet vergeten)

Denk je ______ onze afspraak vanavond?

56 Denken _____ (opletten)

Denk ______ het afstapje.

57 Denken _____

Hoe denk jij _____ die kwestie?

58 Dol zijn ____

Veel mensen zijn dol ________ chocola.

59 Dromen ________

In de winter droom ik vaak ________ vakanties naar warme landen.

60 Dromen ____

Ik heb afgelopen nacht gedroomd
_____ mijn oude schoolklas.

61 Iemand dwingen ______

Ze voelde zich gedwongen _______ iets wat ze niet wilde.
62 Het eens zijn _______iemand

Ik ben het helemaal niet ______ je eens!

63 Eindigen ____

De dag werd beëindigd ________ een borrel voor alle personeelsleden.

64 Ervaring hebben _______

Dat bedrijf zoekt iemand die ervaring heeft _______ dit soort werk.

65 Eisen stellen _______

Hij stelt erg hoge eisen _______ zijn personeel.


66 Zich ergeren _______

Erger jij je ook zo ________ die reclames?

67 Enthousiast zijn _____

Hij was erg enthousiast ______ het voorstel van zijn leidinggevende.

68 Feliciteren _______

Mag ik je feliciteren ___________ je nieuwe baan?

69 Gehecht zijn ________

Ik ben erg gehecht _____ de buurt waarin ik woon.

70 Gesteld zijn ______

Zij zijn zeer gesteld _________ hun privacy.

71 Gek zijn ______

Zij is gek _______ chocola.

72 Gebrek hebben ______

Na de ramp was er veel gebrek _______ medicijnen.

73 Gebruik maken _______

Mag ik even ______ de wc gebruik maken?

74 Gelijk hebben _____

Daar heb je gelijk _______

75 Geloven ____

Ik geloof helemaal niets _______ wat hij vertelt.

76 Geloven _____

Kleine kinderen geloven ______ Sinterklaas.

77 Genieten ____

Geniet je ook zo _______ het mooie weer?

78 Gewend zijn ______

Ben je al gewend ________ het leven hier in Nederland.

79 Grenzen _______

Nederland grenst in het oosten _______ Duitsland.

80 Goed zijn _______

Hij is heel goed ______ sport.

81 Geven _____

Wil je de suiker even ______ mij geven?

82 Geven ___

Veel buitenlanders vinden dat Nederlanders weinig ____ hun familie geven.

83 Geïnteresseerd zijn___

Ben je geïnteresseerd ____
politiek?

84 Gelukkig zijn ____

Ze zijn erg gelukkig _____ hun nieuwe auto.

85 Gemeen hebben ______

Ze hebben veel eigenschappen _______ elkaar gemeen.

86 Geschikt zijn __________

Dit boek is niet geschikt ______ je. Het is nog te moeilijk.

87 Handig zijn _____

Zij is erg handig ____ het inpakken van cadeautjes.
88 Een hekel hebben ______

Ik heb een hekel ________ agressieve rijders.

89 Iemand herinneren ______ iets

Wil je me nog even herinneren _______ onze afspraak?

90 Hopen _____

Ik hoop ____ een goed cijfer.

91 Houden _____

Houd je _______ kaas?

92 Zich houden _______

Je moet je wel ______ de regels houden.

93 Huilen ____

Ze huilde _____ het verlies van haar knuffel.

94 Informeren_______

Informeer jij even _________ de vertrektijden van de trein?

95 Informeren ______

De werknemers werden te laat geïnformeerd ______ de gedwongen ontslagen.

96 Ingaan _____

De minister wilde niet ingaan _____ de beschuldigingen.

97 Inlichtingen geven ______

Ze geven geen inlichtingen _______ de selectieprocedure.

98 Instaan _______

Ik sta 100% in _______ mijn collega’s. Ze zijn allemaal geweldig.

99 Zich interesseren ______

Interesseer jij je ______ politiek?

100 Iemand ____ een idee brengen

Hij heeft mij ______ het idee gebracht om die opleiding te gaan doen.

101 Zich inschrijven _______ iets

Heb je je al ingeschreven __________ die cursus?

102 Zich inzetten _____

Zij zet zich al jaren in _____
daklozen.

103 Invloed hebben ____

Als ouder heb je veel invloed
_____ de ontwikkeling van je kinderen.

104 Jaloers zijn ________

Zij is altijd erg jaloers _____ haar oudere zus, omdat die veel meer mag dan zij.

105 Kans maken ____ iets

Zij maken kans ______ een nieuw huis.

106 Kennismaken ______

Heb je al kennisgemaakt ______ je nieuwe buren?

107 Kiezen _______

Het is moeilijk om te kiezen __________ zo veel soorten.

108 Kijken _______

Kijk jij iedere avond _________ het Journaal?

109 Kritiek hebben ______

Ze heeft altijd kritiek ______ anderen

110 Kwaad/nijdig zijn _____

Ik ben erg kwaad _________ die slechte behandeling in het ziekenhuis.

111 Kwaad/ nijdig zijn _____

Ben je nog steeds kwaad _____ me vanwege die opmerking?

112 Lachen _______

Waar lach je _______?

113 Letten _____

Let je wel even ______!

114 Lenen _____ / _______

_____ wie heb je dit geleend?

115 Lijden _____

Hij lijdt ______ een ernstige ziekte.

116 Lijken ____

Wat lijk jij _____ je moeder!

117 Luisteren ________

Wil je nu eindelijk even ________ me luisteren!

118 Te maken hebben _____

Ik wil daar helemaal niets ______ te maken hebben.

119 Mankeren _______

Mijn auto is kapot, maar ik weet niet wat er_______ mankeert.

120 Meedoen ______

Doe je mee ______ ons?

121 Meedoen ____

Ze mocht niet meedoen _____
de wedstrijd.

122 Medelijden hebben _______

Ik heb ontzettend medelijden _______ mijn buren.

123 Misbruik maken _____
Hij probeert misbruik te maken
_____ de situatie.

124 Je mening geven _____ iets

Ik geef mijn mening daar niet _______.

125 Neerkomen ______

Waarom komt het toch altijd ______ mij neer?
126 Zich neerleggen ______

Ik vind het niet leuk, maar ik zal me er_____ neerleggen.

127 Nieuwsgierig zijn _____

Ben jij ook zo nieuwsgierig _______ onze nieuwe chef?

128 Ongerust zijn ______

De ouders zijn ongerust _______ hun kind.

129 Ontbreken ______

Het ontbreekt hem niet ______ energie.

130 Omgaan ____

Ga je veel ______ je collega’s om?

131 Opgaan ____

Als het leuk is, gaat hij helemaal op _____ zijn boek

132 Ophouden _____

Wanneer ben je ____ roken opgehouden?

133 Opkomen _______

Een grote broer komt vaak op ______ zijn kleine broer of zus.

134 Opzien _____ iets

Zie je erg _______je bezoek aan de tandarts op?

135 Overtuigen _______

Ik kon hem niet overtuigen _____ mijn gelijk.

136 Passen _____

Wil je even ______ mijn tas passen?

137 Passen ____

Deze schoenen passen niet ______ je broek.

138 Plezier hebben _____ iets

We hebben zo’n plezier ______ onze nieuwe fietsen.

139 Plezier hebben ____ iemand

De kinderen hadden zo’n plezier ____ elkaar.

140 Profiteren ____

We moeten _____ het mooie weer profiteren.


141 Protesteren ______

Vroeger waren er veel mensen die protesteerden _____ kernenergie.

142 Raden ______

Raad maar ______ het antwoord.

143 Reageren ____

Ik reageer nooit _____ dat soort opmerkingen.

144 Recht hebben ____

Iedereen heeft recht _____ goed onderwijs.

145 Rekenen _____

Ik reken _____ je komst hoor!

146 Respect hebben ______

Je moet respect hebben _______ zijn mening.

147 Ruiken _____

Het ruikt hier ______ koffie.

148 Zich schamen ______

Ik schaam me ______ mijn gedrag.

149 Scheiden ______

Wanneer is ze ____ hem gescheiden?

150 Schelden _____

Scheld toch niet zo _____ elkaar!

151 Schrikken ____

Ben je ook zo geschrokken ___ dat bericht?

152 Slaan ______

Waar slaat dat nou weer _____!

153 Slagen _____

Is hij geslaagd _______ zijn rijexamen.

154 Slagen _____

Ik ben er niet _____ geslaagd een nieuwe winterjas te vinden.


155 Slecht zijn _____ iets

Veel mensen denken dat ze slecht _____ wiskunde zijn.

156 Schelen ____

Hoeveel scheel je _____ broer?

157 Smaken ___

Dit smaakt _____ meer!

158 Solliciteren ______

Heb je gesolliciteerd ______ die baan.

159 Spijt hebben ____

Ik heb spijt ______ die opmerking.

160 Zich specialiseren ____

Hij wil zich specialiseren ____
kindergeneeskunde.

161 Stoppen ____

Veel mensen stoppen op 1 januari
_____ roken.

162 In strijd zijn ____

Dat is in strijd _____ de voorschriften.

163 Staren ____

Zit niet zo ______ me te staren!

164 In staat zijn ____

Is hij ____ zo iets in staat?

165 Stil staan ____

Goh, daar heb ik nooit ____ stil
gestaan.

166 Storen _____

Stoor jij je ook zo _______ mensen
die hard rijden in woonwijken?

167 Staan _____

Ik sta er_____ dat je hier niet rookt.

168 Stemmen _____

_______ welke partij ga je
stemmen?

169 Tekort hebben _____

De moderne mens heeft een tekort
____ tijd.

170 Teleurgesteld zijn ____

Ik ben zo teleurgesteld ______ je
vriendschap.

171 Tevreden zijn ______

De docent was niet tevreden _____
de resultaten van zijn leerlingen.

172 Toelaten ____

Alleen met een geldig diploma
kunnen wij u toelaten ____ de
opleiding.

173 Trakteren ____

In Nederland trakteren veel mensen
____ taart als ze jarig zijn.

174 Trek hebben ____

Ik heb zo’n trek _____ koffie!

175 Toevoegen _____

Ik wil daar graag iets _____ toe-
voegen.

176 Trots zijn _____

Zij zijn erg trots _______ hun
kinderen.

177 Trouwen ____

_____ wie is zij getrouwd?

178 Twijfelen _____

Ik twijfel sterk _______
zijn woorden.

179 Uitkijken ______

Kijk uit _____ die auto!

180 Uitkijken ______

Ik kijk erg uit ______ de vakantie.

181 Vatbaar zijn ____

Zij is erg vatbaar ______ griep.

182 Vechten ____

De kinderen vechten ____ elkaar.

183 Vechten ____

Ik vecht _____ de slaap.

184 Verantwoordelijk zijn ___

Iedereen is verantwoordelijk ____
zijn eigen gedrag.

185 Verdacht zijn ____

Hij wordt verdacht _____ diefstal.

186 Zich verdiepen ____

Hij verdiept zich al jaren ____ insecten.

187 Verdriet hebben

Ik heb zo veel verdriet _____ die opmerking.

188 Vergelijken ____

Je moet appels niet _____ peren vergelijken.

189 Zich vergissen ____

Ik heb me _____ het telefoonnummer vergist.

190 Zich verheugen _____

Ik verheug me erg _____ het feest.

191 Verlangen ____

Ik verlang _______ je.

192 Verslaafd zijn _____

Veel mensen zijn verslaafd _____
roken.

193 Verstand hebben ____

Heb je verstand _____ computers?

194 Verwijzen _____

De huisarts verwees me ______ de specialist.

195 Zich voorbereiden ____

Je moet je goed voorbereiden _____ het examen.





196 De voorkeur geven ______

Veel mensen geven de voorkeur _____ een tweedehands auto.

197 Van mening verschillen ____

Daar______ verschillen we van
mening.

198 Zich verbazen ____

Verbaas jij je soms ook zo _____
zijn gedrag?

199 Zich verzekeren ______

Je moet je wel verzekeren ______
ongevallen.

200 Vertalen _____ / ______

Is dit boek vertaald _____ het
Engels?

201 Vertellen _____

Heb ik je al verteld ______die film?

202 Zich verzetten ____

Veel mensen verzetten zich
_______ de nieuwe belastingmaatregel.

203 Voldoen _____

U voldoet niet ______ de eisen.

204 Vluchten ____

Hij is _______ de politie gevlucht.

205 Voorafgaan ____

Dit hoofdstuk gaat vooraf ______ het volgende.

206 Vragen ____

Ik vraag hem ______ zijn gezondheid.

207 Vragen _____

Zij vroeg ____ een glas water.

208 Vragen _____

Ik wil iets vragen _____ de grammatica.


209 Vragen ____

Ik heb geen idee, vraag het maar _____ iemand anders.

210 Waarschuwen ______

Ik heb je gewaarschuwd ______
de gevolgen.

211 Wachten _____

Ik wacht al twintig minuten _____
de bus.

212 Zeker zijn _____

Ben je daar wel zeker _____?

213 Zin hebben ______

Ik heb daar helemaal geen zin ____.

214 Zoeken _____

Ik zoek al een uur _____ mijn sleutels.

215 Zorgen ____
Zorgt zij wel goed ______ zichzelf?

216 Zich zorgen maken _____

Maak je daar toch niet zo zorgen _________

217 Zakken _____

Ben je gezakt _______ het examen?

218 Zeker zijn _____

Ik ben daar nog niet zo zeker ________.

219 Zeuren _______

Hij zit altijd te zeuren ________ zijn salaris.

User avatar
Leen
Waardevol lid
Posts: 59
Joined: Tue Dec 30, 2008 1:05 pm
Country of residence: Belgium
Mother tongue: Dutch (Flanders)
Location: België

Re: Oefening

Post by Leen » Sat Feb 14, 2009 4:47 pm

Ge hebt geluk dat ik mij verveel vanmiddag, want het wel een héél lange oefening om zo maar even te vragen of iemand ze kan invullen.. :-o
monaboy wrote:Hi forumgenoten,
ik heb deze opdracht gevonden, kan iemand die invullen?


Combinaties van werkwoorden en preposities


1 Zich aanmelden voor

Heb je je al aangemeld ________ die cursus?

2 In aanmerking komen voor

Kom je in aanmerking _______ die woning?

3 Zich aanpassen aan

Het is moeilijk om je aan te passen ________ de eetgewoontes in Nederland.

4 Iemand aansprakelijk stellen voor iets

Als iemand je aanrijdt, kun je hem aansprakelijk stellen _______ de
schade.

5 Zich abonneren op

Als je je abonneert _____ een weekblad, ontvang je dat iedere week met de post.

6 Iemand afbrengen van iets

Hij probeert haar ________ het roken af te brengen.

7 Allergisch zijn voor (aan wordt ook gezegd maar is blijkbaar geen standaardtaal)

Zij is erg allergisch ________ huisstofmijt.

8 Afhankelijk zijn van

Kinderen zijn in veel opzichten afhankelijk _________ hun ouders.


9 Zich afzetten tegen iets

Zet je toch niet zo _______ haar af. Je hebt daar niets aan.

10 Afkomstig zijn uit/van

Deze appels zijn afkomstig uit Brazilië.
Dit drinkwater is afkomstig van een bron in Frankrijk

11 Afrekenen bij

Kan ik even _____ u afrekenen?

12 Afhangen van

Hoe laat ga je naar huis? Dat hangt ________ de drukte op de weg af.

13 Akkoord gaan met

Ik ga niet akkoord _________ dat voorstel.

14 Afzien van

Ik zie toch maar af ________ die nieuwe baan.

15 In aanraking komen met

Zij is al op jonge leeftijd ______ drugs in aanraking gekomen.

16 Antwoorden op

Wil je even antwoorden _______ mijn vraag?

17 Bang zijn voor

Ben je bang ________ honden?

18 Beantwoorden aan

Onze vakantie beantwoordde niet helemaal ______ onze verwachtingen.

19 Beginnen aan iets (http://taal.vrt.be/taaldatabanken_maste ... 0199.shtml)

Zullen we beginnen ______ het volgende hoofdstuk?

20 Behoren tot

Nederland behoort _________ Europa.

21 Behoefte hebben aan

Ik heb geen behoefte _________ een vakantie dit jaar.

22 Besparen op

In deze dure tijd moeten we allemaal besparen ______ onze uitgaven.

23 Belangstelling hebben voor

Heeft hij belangstelling ______
politiek?

24 Bekend staan voor

Colombia staat bekend ______ zijn drugscriminaliteit.

25 Bemoeien met

Bemoei je alsjeblieft ______ je eigen zaken!

26 Benieuwd zijn naar

Ik ben erg benieuwd ______ de uitslag van de verkiezingen.

27 Iemand benoemen tot

Hij is onlangs benoemd _________ burgemeester van Zaandam.

28 Bedroefd zijn over/om

Hij was heel bedroefd ______ die brief.

29 Beschikken over

De meeste mensen beschikken _______ een computer.

30 Bespreken met iemand

Ik wil dit graag even ______ je bespreken.

31 Iemand beschuldigen van iets

Hij wordt _____ fraude beschuldigd.

32 Bestaan uit

De mens bestaat voor 80% _____ water.

33 Bestemd zijn voor

______ wie is dit pakje bestemd?

34 Een beroep op iemand doen.

Je kunt altijd een beroep ____ me doen.

35 Bezorgd zijn om/over

Ben je bezorgd _________ zijn situatie?

36 Blij zijn met

De kinderen waren erg blij ________ hun cadeaus

37 Bezwaar tegen iets hebben

Heb je er bezwaar ________ als ik rook?

38 Bevallen van

Zij is bevallen _______ een zoon.

39 Bezuinigen op

Omdat alles zoveel duurder wordt, moeten we bezuinigen _____ onze uitgaven.

40 Bevriend zijn met

Ze zijn al jaren ______ elkaar bevriend.

41 Beveiligen tegen

Die huizen zijn beveiligd __________ inbraak.

42 Iemand betrappen op

Ze hebben hem _____ fraude betrapt.

43 Iemand betrekken in iets

We moeten wel al onze buren ______ het straatfeest betrekken.

44 Bewust zijn van iets

Hij was zich niet bewust ______ de problemen op de afdeling.

45 Bezig zijn met iets

Ik kan je nu even niet helpen,ik ben ___ iets bezig.

46 In het bezit zijn van iets

Je moet in het bezit zijn ____ een geldig legitimatiebewijs.

47 Tijd / aandacht besteden aan iets

Je moet niet zoveel tijd besteden ______ tv kijken!

48 Boos zijn op iemand

Hij was erg boos _____ zijn kinderen toen ze zoveel rommel hadden gemaakt.

49 Boos zijn over/om iets

Hij is altijd erg snel boos _____ dingen.

50 Commentaar geven / hebben op

Hij heeft altijd overal commentaar ________.

51 Concluderen uit

Ik concludeer ______ je woorden dat je geen zin hebt om naar het feest te gaan.

52 Condoleren met

Gecondoleerd ____________ het overlijden van je vader.

53 Danken voor

Ik dank je _______ je hulp bij dit moeilijke project.

54 Deelnemen aan

Vanwege een blessure kon ze niet deelnemen ______ de wedstrijd.


55 Denken aan ( niet vergeten)

Denk je ______ onze afspraak vanavond?

56 Denken om (opletten)

Denk ______ het afstapje.

57 Denken over

Hoe denk jij _____ die kwestie?

58 Dol zijn op

Veel mensen zijn dol ________ chocola.

59 Dromen van

In de winter droom ik vaak ________ vakanties naar warme landen.

60 Dromen over

Ik heb afgelopen nacht gedroomd _____ mijn oude schoolklas.

61 Iemand dwingen tot

Ze voelde zich gedwongen _______ iets wat ze niet wilde.

62 Het eens zijn met iemand

Ik ben het helemaal niet ______ je eens!

63 Eindigen met

De dag werd beëindigd ________ een borrel voor alle personeelsleden.

64 Ervaring hebben met

Dat bedrijf zoekt iemand die ervaring heeft _______ dit soort werk.

65 Eisen stellen aan

Hij stelt erg hoge eisen _______ zijn personeel.

66 Zich ergeren aan

Erger jij je ook zo ________ die reclames?

67 Enthousiast zijn over

Hij was erg enthousiast ______ het voorstel van zijn leidinggevende.

68 Feliciteren met

Mag ik je feliciteren ___________ je nieuwe baan?

69 Gehecht zijn aan

Ik ben erg gehecht _____ de buurt waarin ik woon.

70 Gesteld zijn op

Zij zijn zeer gesteld _________ hun privacy.

71 Gek zijn op

Zij is gek _______ chocola.

72 Gebrek hebben aan

Na de ramp was er veel gebrek _______ medicijnen.

73 Gebruik maken van

Mag ik even ______ de wc gebruik maken?

74 Gelijk hebben in

Daar heb je gelijk _______

75 Geloven van

Ik geloof helemaal niets _______ wat hij vertelt.

76 Geloven in

Kleine kinderen geloven ______ Sinterklaas.

77 Genieten van

Geniet je ook zo _______ het mooie weer?

78 Gewend zijn aan

Ben je al gewend ________ het leven hier in Nederland.

79 Grenzen aan

Nederland grenst in het oosten _______ Duitsland.

80 Goed zijn in

Hij is heel goed ______ sport.

81 Geven aan

Wil je de suiker even ______ mij geven?

82 Geven om

Veel buitenlanders vinden dat Nederlanders weinig ____ hun familie geven.

83 Geïnteresseerd zijn in

Ben je geïnteresseerd ____ politiek?

84 Gelukkig zijn met

Ze zijn erg gelukkig _____ hun nieuwe auto.

85 Gemeen hebben met

Ze hebben veel eigenschappen _______ elkaar gemeen.

86 Geschikt zijn voor

Dit boek is niet geschikt ______ je. Het is nog te moeilijk.

87 Handig zijn in

Zij is erg handig ____ het inpakken van cadeautjes.

88 Een hekel hebben aan

Ik heb een hekel ________ agressieve rijders.

89 Iemand herinneren aan iets

Wil je me nog even herinneren _______ onze afspraak?

90 Hopen op

Ik hoop ____ een goed cijfer.

91 Houden van

Houd je _______ kaas?

92 Zich houden aan

Je moet je wel ______ de regels houden.

93 Huilen om/over

Ze huilde _____ het verlies van haar knuffel.

94 Informeren naar

Informeer jij even _________ de vertrektijden van de trein?

95 Informeren over

De werknemers werden te laat geïnformeerd ______ de gedwongen ontslagen.

96 Ingaan op

De minister wilde niet ingaan _____ de beschuldigingen.

97 Inlichtingen geven over

Ze geven geen inlichtingen _______ de selectieprocedure.

98 Instaan voor

Ik sta 100% in _______ mijn collega’s. Ze zijn allemaal geweldig.

99 Zich interesseren voor

Interesseer jij je ______ politiek?

100 Iemand op een idee brengen

Hij heeft mij ______ het idee gebracht om die opleiding te gaan doen.

101 Zich inschrijven voor iets

Heb je je al ingeschreven __________ die cursus?

102 Zich inzetten voor

Zij zet zich al jaren in _____ daklozen.

103 Invloed hebben op

Als ouder heb je veel invloed _____ de ontwikkeling van je kinderen.

104 Jaloers zijn op

Zij is altijd erg jaloers _____ haar oudere zus, omdat die veel meer mag dan zij.

105 Kans maken op iets

Zij maken kans ______ een nieuw huis.

106 Kennismaken met

Heb je al kennisgemaakt ______ je nieuwe buren?

107 Kiezen uit/tussen

Het is moeilijk om te kiezen __________ zo veel soorten.

108 Kijken naar

Kijk jij iedere avond _________ het Journaal?

109 Kritiek hebben op

Ze heeft altijd kritiek ______ anderen

110 Kwaad/nijdig zijn over

Ik ben erg kwaad _________ die slechte behandeling in het ziekenhuis.

111 Kwaad/ nijdig zijn op

Ben je nog steeds kwaad _____ me vanwege die opmerking?

112 Lachen om

Waar lach je _______?

113 Letten op

Let je wel even ______!

114 Lenen van / aan

Van wie heb je dit geleend?
Ik leen nooit geld aan mijn zus want ze betaalt me nooit terug.

115 Lijden aan

Hij lijdt ______ een ernstige ziekte.

116 Lijken op

Wat lijk jij _____ je moeder!

117 Luisteren naar

Wil je nu eindelijk even ________ me luisteren!

118 Te maken hebben met

Ik wil daar helemaal niets ______ te maken hebben.

119 Mankeren aan

Mijn auto is kapot, maar ik weet niet wat er_______ mankeert.

120 Meedoen met

Doe je mee ______ ons?

121 Meedoen aan

Ze mocht niet meedoen _____ de wedstrijd.

122 Medelijden hebben met

Ik heb ontzettend medelijden _______ mijn buren.

123 Misbruik maken van

Hij probeert misbruik te maken _____ de situatie.

124 Je mening geven over iets

Ik geef mijn mening daar niet _______.

125 Neerkomen op

Waarom komt het toch altijd ______ mij neer?

126 Zich neerleggen bij

Ik vind het niet leuk, maar ik zal me er_____ neerleggen.

127 Nieuwsgierig zijn naar

Ben jij ook zo nieuwsgierig _______ onze nieuwe chef?

128 Ongerust zijn over

De ouders zijn ongerust _______ hun kind.

129 Ontbreken aan/van

Het ontbreekt hem niet aan energie.
Het ontbreken van verkeersborden zorgt voor onduidelijkheid.


130 Omgaan met

Ga je veel ______ je collega’s om?

131 Opgaan in

Als het leuk is, gaat hij helemaal op _____ zijn boek

132 Ophouden met

Wanneer ben je ____ roken opgehouden?

133 Opkomen voor

Een grote broer komt vaak op ______ zijn kleine broer of zus.

134 Opzien tegen iets

Zie je erg _______je bezoek aan de tandarts op?

135 Overtuigen van

Ik kon hem niet overtuigen _____ mijn gelijk.

136 Passen op

Wil je even ______ mijn tas passen?

137 Passen bij

Deze schoenen passen niet ______ je broek.

138 Plezier hebben van iets

We hebben zo’n plezier ______ onze nieuwe fietsen.

138 b Plezier beleven aan

We beleven plezier ___ het werken met kinderen

138 c Plezier hebben in iets

We hebben plezier ____ ons werk

139 Plezier hebben met iemand

De kinderen hadden zo’n plezier ____ elkaar.

140 Profiteren van

We moeten _____ het mooie weer profiteren.


141 Protesteren tegen

Vroeger waren er veel mensen die protesteerden _____ kernenergie.

142 Raden naar

Raad maar ______ het antwoord.

143 Reageren op

Ik reageer nooit _____ dat soort opmerkingen.

144 Recht hebben op

Iedereen heeft recht _____ goed onderwijs.

145 Rekenen op

Ik reken _____ je komst hoor!

146 Respect hebben voor

Je moet respect hebben _______ zijn mening.

147 Ruiken naar

Het ruikt hier ______ koffie.

148 Zich schamen voor

Ik schaam me ______ mijn gedrag.

149 Scheiden van iemand

Wanneer is ze ____ hem gescheiden?

150 Schelden op

Scheld toch niet zo _____ elkaar!

151 Schrikken van

Ben je ook zo geschrokken ___ dat bericht?

152 Slaan op

Waar slaat dat nou weer _____!

153 Slagen voor

Is hij geslaagd _______ zijn rijexamen.

154 Slagen in

Ik ben er niet _____ geslaagd een nieuwe winterjas te vinden.


155 Slecht zijn in iets

Veel mensen denken dat ze slecht _____ wiskunde zijn.

156 Schelen met

Hoeveel scheel je _____ broer?

157 Smaken naar

Dit smaakt _____ meer!

158 Solliciteren voor/naar

Heb je gesolliciteerd ______ die baan.

159 Spijt hebben van

Ik heb spijt ______ die opmerking.

160 Zich specialiseren in

Hij wil zich specialiseren ____ kindergeneeskunde.

161 Stoppen met

Veel mensen stoppen op 1 januari _____ roken.

162 In strijd zijn met

Dat is in strijd _____ de voorschriften.

163 Staren naar

Zit niet zo ______ me te staren!

164 In staat zijn tot

Is hij ____ zo iets in staat?

165 Stil staan bij

Goh, daar heb ik nooit ____ stil
gestaan.

166 Zich storen aan

Stoor jij je ook zo _______ mensen die hard rijden in woonwijken?

167 Staan op

Ik sta er_____ dat je hier niet rookt.

168 Stemmen op

_______ welke partij ga je stemmen?

169 Tekort hebben aan

De moderne mens heeft een tekort ____ tijd.

170 Teleurgesteld zijn in

Ik ben zo teleurgesteld ______ je vriendschap.

171 Tevreden zijn met/over

De docent was niet tevreden _____ de resultaten van zijn leerlingen.

172 Toelaten tot

Alleen met een geldig diploma kunnen wij u toelaten ____ de opleiding.

173 Trakteren op

In Nederland trakteren veel mensen ____ taart als ze jarig zijn.

174 Trek hebben in

Ik heb zo’n trek _____ koffie!

175 Toevoegen aan

Ik wil daar graag iets _____ toevoegen.

176 Trots zijn op

Zij zijn erg trots _______ hun kinderen.

177 Trouwen met

_____ wie is zij getrouwd?

178 Twijfelen aan

Ik twijfel sterk _______ zijn woorden.

179 Uitkijken voor

Kijk uit _____ die auto!

180 Uitkijken naar

Ik kijk erg uit ______ de vakantie.

181 Vatbaar zijn voor

Zij is erg vatbaar ______ griep.

182 Vechten met

De kinderen vechten ____ elkaar.

183 Vechten tegen

Ik vecht _____ de slaap.

184 Verantwoordelijk zijn voor

Iedereen is verantwoordelijk ____ zijn eigen gedrag.

185 Verdacht zijn van

Hij wordt verdacht _____ diefstal.

186 Zich verdiepen in

Hij verdiept zich al jaren ____ insecten.

187 Verdriet hebben over/om/van (weet niet of ze allemaal standaardtaal zijn)

Ik heb zo veel verdriet _____ die opmerking.

188 Vergelijken met

Je moet appels niet _____ peren vergelijken.

189 Zich vergissen van

Ik heb me _____ het telefoonnummer vergist.

190 Zich verheugen op

Ik verheug me erg _____ het feest.

191 Verlangen naar

Ik verlang _______ je.

192 Verslaafd zijn aan

Veel mensen zijn verslaafd _____ roken.

193 Verstand hebben van

Heb je verstand _____ computers?

194 Verwijzen naar

De huisarts verwees me ______ de specialist.

195 Zich voorbereiden op

Je moet je goed voorbereiden _____ het examen.

196 De voorkeur geven aan

Veel mensen geven de voorkeur _____ een tweedehands auto.

197 Van mening verschillen over

Daar______ verschillen we van mening.

198 Zich verbazen over

Verbaas jij je soms ook zo _____
zijn gedrag?

199 Zich verzekeren tegen

Je moet je wel verzekeren ______ ongevallen.

200 Vertalen uit/naar/in

Is dit boek vertaald _____ het Engels?

201 Vertellen over

Heb ik je al verteld ______die film?

202 Zich verzetten tegen

Veel mensen verzetten zich _______ de nieuwe belastingmaatregel.

203 Voldoen aan

U voldoet niet ______ de eisen.

204 Vluchten voor

Hij is _______ de politie gevlucht.

205 Voorafgaan aan

Dit hoofdstuk gaat vooraf ______ het volgende.

206 Vragen naar

Ik vraag hem ______ zijn gezondheid.

207 Vragen om

Zij vroeg ____ een glas water.

208 Vragen over

Ik wil iets vragen _____ de grammatica.

209 Vragen aan

Ik heb geen idee, vraag het maar _____ iemand anders.

210 Waarschuwen voor

Ik heb je gewaarschuwd ______ de gevolgen.

211 Wachten op

Ik wacht al twintig minuten _____ de bus.

212 Zeker zijn van

Ben je daar wel zeker _____?

213 Zin hebben in

Ik heb daar helemaal geen zin ____.

214 Zoeken naar

Ik zoek al een uur _____ mijn sleutels.

215 Zorgen voor

Zorgt zij wel goed ______ zichzelf?

216 Zich zorgen maken over

Maak je daar toch niet zo zorgen _________

217 Zakken voor

Ben je gezakt _______ het examen?

218 Zeker zijn van

Ik ben daar nog niet zo zeker ________.

219 Zeuren over

Hij zit altijd te zeuren ________ zijn salaris.

Het is niet altijd makkelijk om te weten welke voorzetsels als standaardtaal beschouwd worden en welke niet. Vaak hebt ge ook meerdere mogelijkheden naargelang de context.

Bij twijfel kunt ge gebruik maken van een woordenboek of sites zoals:

http://taaladvies.net/taal/advies/v/
http://taal.vrt.be/taaldatabanken_maste ... 0047.shtml
Last edited by Leen on Sun Feb 15, 2009 12:35 am, edited 3 times in total.

User avatar
MaxJ
Superlid
Posts: 149
Joined: Sat Feb 07, 2009 6:29 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Third language: Afrikaans
Fourth language: German
Gender: Male
Location: Apeldoorn

Re: Oefening

Post by MaxJ » Sat Feb 14, 2009 4:53 pm

Ahh goed dat ik nog even onderaan de pagina keek want ik was ook al begonnen, anders had ik het voor niks gedaan :-D
Sale
2 Hale
1 Betale

User avatar
Leen
Waardevol lid
Posts: 59
Joined: Tue Dec 30, 2008 1:05 pm
Country of residence: Belgium
Mother tongue: Dutch (Flanders)
Location: België

Re: Oefening

Post by Leen » Sat Feb 14, 2009 5:00 pm

Hehe :-D

Sorry voor de dubbele post, maar ik krijg een ervan niet verwijderd :eek:

User avatar
Olichka
Superlid
Posts: 228
Joined: Thu Jun 22, 2006 7:29 am
Country of residence: United Kingdom
Mother tongue: Russian
Second language: Ukrainian
Gender: Female
Location: Belfast

Re: Oefening

Post by Olichka » Sat Feb 14, 2009 10:26 pm

Jeetje! Die is echt lang!
Ik denk niet dat het in één avond te doen is!
Maar het lijkt me sowieso heel erg leuk om te oefenen. Bedankt dus voor de moeite! :D

Groetjes!

Post Reply