Hi form genoten ,
ik heb deze opdracht gevonden, kan iemand die invullen?
Combinaties van werkwoorden en preposities
1 Zich aanmelden ______
Heb je je al aangemeld ________ die cursus?
2 In aanmerking komen ________
Kom je in aanmerking _______ die woning?
3 Zich aanpassen ________
Het is moeilijk om je aan te passen ________ de eetgewoontes in Nederland.
4 Iemand aansprakelijk stellen ________ iets
Als iemand je aanrijdt, kun je hem aansprakelijk stellen _______ de
schade.
5 Zich abonneren __________
Als je je abonneert _____ een weekblad, ontvang je dat iedere week met de post.
6 Iemand afbrengen _________ iets
Hij probeert haar ________ het roken af te brengen.
7 Allergisch zijn ____________
Zij is erg allergisch ________ huisstofmijt.
8 Afhankelijk zijn __________
Kinderen zijn in veel opzichten afhankelijk _________ hun ouders.
9 Zich afzetten _____________ iets
Zet je toch niet zo _______ haar af. Je hebt daar niets aan.
10 Afkomstig zijn _______
Deze appels zijn afkomstig __________ Brazilië.
11 Afrekenen _____
Kan ik even _____ u afrekenen?
12 Afhangen ____________
Hoe laat ga je naar huis? Dat hangt ________ de drukte op de weg af.
13 Akkoord gaan _____________
Ik ga niet akkoord _________ dat voorstel.
14 Afzien _________
Ik zie toch maar af ________ die nieuwe baan.
15 In aanraking komen ________
Zij is al op jonge leeftijd ______ drugs in aanraking gekomen.
16 Antwoorden ___
Wil je even antwoorden _______ mijn vraag?
17 Bang zijn _______
Ben je bang ________ honden?
18 Beantwoorden _____
Onze vakantie beantwoordde niet helemaal ______ onze verwachtingen.
19 Beginnen _____ iets
Zullen we beginnen ______ het volgende hoofdstuk?
20 Behoren ________
Nederland behoort _________ Europa.
21 Behoefte hebben _____
Ik heb geen behoefte _________ een vakantie dit jaar.
22 Besparen ______
In deze dure tijd moeten we allemaal besparen ______ onze uitgaven.
23 Belangstelling hebben ________
Heeft hij belangstelling ______
politiek?
24 Bekend staan __voor________
Colombia staat bekend __voor_____ zijn drugscriminaliteit.
25 Bemoeien ____
Bemoei je alsjeblieft ______ je eigen zaken!
26 Benieuwd zijn ______
Ik ben erg benieuwd ______ de uitslag van de verkiezingen.
27 Iemand benoemen _______
Hij is onlangs benoemd _________
burgemeester van Zaandam.
28 Bedroefd zijn _____
Hij was heel bedroefd ______ die brief.
29 Beschikken ______
De meeste mensen beschikken _______ een computer.
30 Bespreken ____ iemand
Ik wil dit graag even ______ je bespreken.
31 Iemand beschuldigen ____ iets
Hij wordt _____ fraude beschuldigd.
32 Bestaan _____
De mens bestaat voor 80% _____ water.
33 Bestemd zijn _____
______ wie is dit pakje bestemd?
34 Een beroep _____ iemand doen.
Je kunt altijd een beroep ____ me doen.
35 Bezorgd zijn _______
Ben je bezorgd _________ zijn situatie?
36 Blij zijn _____
De kinderen waren erg blij ________ hun cadeaus
37 Bezwaar ________ iets hebben
Heb je er bezwaar ________ als ik rook?
38 Bevallen _______
Zij is bevallen _______ een zoon.
39 Bezuinigen ______
Omdat alles zoveel duurder wordt, moeten we bezuinigen _____ onze uitgaven.
40 Bevriend zijn ______
Ze zijn al jaren ______ elkaar bevriend.
41 Beveiligen _____
Die huizen zijn beveiligd __________ inbraak.
42 Iemand betrappen _____
Ze hebben hem _____ fraude betrapt.
43 Iemand betrekken ____ iets
We moeten wel al onze buren ______ het straatfeest betrekken.
44 Bewust zijn _____ iets
Hij was zich niet bewust ______ de problemen op de afdeling.
45 Bezig zijn ____ iets
Ik kan je nu even niet helpen,ik ben ___ iets bezig.
46 In het bezit zijn ____ iets
Je moet in het bezit zijn ____ een geldig legitimatiebewijs.
47 Tijd / aandacht besteden ____ iets
Je moet niet zoveel tijd besteden ______ tv kijken!
48 Boos zijn ____ iemand
Hij was erg boos _____ zijn kinderen toen ze zoveel rommel hadden gemaakt.
49 Boos zijn ______ iets
Hij is altijd erg snel boos _____ dingen.
50 Commentaar geven / hebben ______
Hij heeft altijd overal commentaar ________.
51 Concluderen ________
Ik concludeer ______ je woorden dat je geen zin hebt om naar het feest te gaan.
52 Condoleren ________
Gecondoleerd ____________ het overlijden van je vader.
53 Danken _____
Ik dank je _______ je hulp bij dit moeilijke project.
54 Deelnemen _________
Vanwege een blessure kon ze niet deelnemen ______ de wedstrijd.
55 Denken _______ ( niet vergeten)
Denk je ______ onze afspraak vanavond?
56 Denken _____ (opletten)
Denk ______ het afstapje.
57 Denken _____
Hoe denk jij _____ die kwestie?
58 Dol zijn ____
Veel mensen zijn dol ________ chocola.
59 Dromen ________
In de winter droom ik vaak ________ vakanties naar warme landen.
60 Dromen ____
Ik heb afgelopen nacht gedroomd
_____ mijn oude schoolklas.
61 Iemand dwingen ______
Ze voelde zich gedwongen _______ iets wat ze niet wilde.
62 Het eens zijn _______iemand
Ik ben het helemaal niet ______ je eens!
63 Eindigen ____
De dag werd beëindigd ________ een borrel voor alle personeelsleden.
64 Ervaring hebben _______
Dat bedrijf zoekt iemand die ervaring heeft _______ dit soort werk.
65 Eisen stellen _______
Hij stelt erg hoge eisen _______ zijn personeel.
66 Zich ergeren _______
Erger jij je ook zo ________ die reclames?
67 Enthousiast zijn _____
Hij was erg enthousiast ______ het voorstel van zijn leidinggevende.
68 Feliciteren _______
Mag ik je feliciteren ___________ je nieuwe baan?
69 Gehecht zijn ________
Ik ben erg gehecht _____ de buurt waarin ik woon.
70 Gesteld zijn ______
Zij zijn zeer gesteld _________ hun privacy.
71 Gek zijn ______
Zij is gek _______ chocola.
72 Gebrek hebben ______
Na de ramp was er veel gebrek _______ medicijnen.
73 Gebruik maken _______
Mag ik even ______ de wc gebruik maken?
74 Gelijk hebben _____
Daar heb je gelijk _______
75 Geloven ____
Ik geloof helemaal niets _______ wat hij vertelt.
76 Geloven _____
Kleine kinderen geloven ______ Sinterklaas.
77 Genieten ____
Geniet je ook zo _______ het mooie weer?
78 Gewend zijn ______
Ben je al gewend ________ het leven hier in Nederland.
79 Grenzen _______
Nederland grenst in het oosten _______ Duitsland.
80 Goed zijn _______
Hij is heel goed ______ sport.
81 Geven _____
Wil je de suiker even ______ mij geven?
82 Geven ___
Veel buitenlanders vinden dat Nederlanders weinig ____ hun familie geven.
83 Geïnteresseerd zijn___
Ben je geïnteresseerd ____
politiek?
84 Gelukkig zijn ____
Ze zijn erg gelukkig _____ hun nieuwe auto.
85 Gemeen hebben ______
Ze hebben veel eigenschappen _______ elkaar gemeen.
86 Geschikt zijn __________
Dit boek is niet geschikt ______ je. Het is nog te moeilijk.
87 Handig zijn _____
Zij is erg handig ____ het inpakken van cadeautjes.
88 Een hekel hebben ______
Ik heb een hekel ________ agressieve rijders.
89 Iemand herinneren ______ iets
Wil je me nog even herinneren _______ onze afspraak?
90 Hopen _____
Ik hoop ____ een goed cijfer.
91 Houden _____
Houd je _______ kaas?
92 Zich houden _______
Je moet je wel ______ de regels houden.
93 Huilen ____
Ze huilde _____ het verlies van haar knuffel.
94 Informeren_______
Informeer jij even _________ de vertrektijden van de trein?
95 Informeren ______
De werknemers werden te laat geïnformeerd ______ de gedwongen ontslagen.
96 Ingaan _____
De minister wilde niet ingaan _____ de beschuldigingen.
97 Inlichtingen geven ______
Ze geven geen inlichtingen _______ de selectieprocedure.
98 Instaan _______
Ik sta 100% in _______ mijn collega’s. Ze zijn allemaal geweldig.
99 Zich interesseren ______
Interesseer jij je ______ politiek?
100 Iemand ____ een idee brengen
Hij heeft mij ______ het idee gebracht om die opleiding te gaan doen.
101 Zich inschrijven _______ iets
Heb je je al ingeschreven __________ die cursus?
102 Zich inzetten _____
Zij zet zich al jaren in _____
daklozen.
103 Invloed hebben ____
Als ouder heb je veel invloed
_____ de ontwikkeling van je kinderen.
104 Jaloers zijn ________
Zij is altijd erg jaloers _____ haar oudere zus, omdat die veel meer mag dan zij.
105 Kans maken ____ iets
Zij maken kans ______ een nieuw huis.
106 Kennismaken ______
Heb je al kennisgemaakt ______ je nieuwe buren?
107 Kiezen _______
Het is moeilijk om te kiezen __________ zo veel soorten.
108 Kijken _______
Kijk jij iedere avond _________ het Journaal?
109 Kritiek hebben ______
Ze heeft altijd kritiek ______ anderen
110 Kwaad/nijdig zijn _____
Ik ben erg kwaad _________ die slechte behandeling in het ziekenhuis.
111 Kwaad/ nijdig zijn _____
Ben je nog steeds kwaad _____ me vanwege die opmerking?
112 Lachen _______
Waar lach je _______?
113 Letten _____
Let je wel even ______!
114 Lenen _____ / _______
_____ wie heb je dit geleend?
115 Lijden _____
Hij lijdt ______ een ernstige ziekte.
116 Lijken ____
Wat lijk jij _____ je moeder!
117 Luisteren ________
Wil je nu eindelijk even ________ me luisteren!
118 Te maken hebben _____
Ik wil daar helemaal niets ______ te maken hebben.
119 Mankeren _______
Mijn auto is kapot, maar ik weet niet wat er_______ mankeert.
120 Meedoen ______
Doe je mee ______ ons?
121 Meedoen ____
Ze mocht niet meedoen _____
de wedstrijd.
122 Medelijden hebben _______
Ik heb ontzettend medelijden _______ mijn buren.
123 Misbruik maken _____
Hij probeert misbruik te maken
_____ de situatie.
124 Je mening geven _____ iets
Ik geef mijn mening daar niet _______.
125 Neerkomen ______
Waarom komt het toch altijd ______ mij neer?
126 Zich neerleggen ______
Ik vind het niet leuk, maar ik zal me er_____ neerleggen.
127 Nieuwsgierig zijn _____
Ben jij ook zo nieuwsgierig _______ onze nieuwe chef?
128 Ongerust zijn ______
De ouders zijn ongerust _______ hun kind.
129 Ontbreken ______
Het ontbreekt hem niet ______ energie.
130 Omgaan ____
Ga je veel ______ je collega’s om?
131 Opgaan ____
Als het leuk is, gaat hij helemaal op _____ zijn boek
132 Ophouden _____
Wanneer ben je ____ roken opgehouden?
133 Opkomen _______
Een grote broer komt vaak op ______ zijn kleine broer of zus.
134 Opzien _____ iets
Zie je erg _______je bezoek aan de tandarts op?
135 Overtuigen _______
Ik kon hem niet overtuigen _____ mijn gelijk.
136 Passen _____
Wil je even ______ mijn tas passen?
137 Passen ____
Deze schoenen passen niet ______ je broek.
138 Plezier hebben _____ iets
We hebben zo’n plezier ______ onze nieuwe fietsen.
139 Plezier hebben ____ iemand
De kinderen hadden zo’n plezier ____ elkaar.
140 Profiteren ____
We moeten _____ het mooie weer profiteren.
141 Protesteren ______
Vroeger waren er veel mensen die protesteerden _____ kernenergie.
142 Raden ______
Raad maar ______ het antwoord.
143 Reageren ____
Ik reageer nooit _____ dat soort opmerkingen.
144 Recht hebben ____
Iedereen heeft recht _____ goed onderwijs.
145 Rekenen _____
Ik reken _____ je komst hoor!
146 Respect hebben ______
Je moet respect hebben _______ zijn mening.
147 Ruiken _____
Het ruikt hier ______ koffie.
148 Zich schamen ______
Ik schaam me ______ mijn gedrag.
149 Scheiden ______
Wanneer is ze ____ hem gescheiden?
150 Schelden _____
Scheld toch niet zo _____ elkaar!
151 Schrikken ____
Ben je ook zo geschrokken ___ dat bericht?
152 Slaan ______
Waar slaat dat nou weer _____!
153 Slagen _____
Is hij geslaagd _______ zijn rijexamen.
154 Slagen _____
Ik ben er niet _____ geslaagd een nieuwe winterjas te vinden.
155 Slecht zijn _____ iets
Veel mensen denken dat ze slecht _____ wiskunde zijn.
156 Schelen ____
Hoeveel scheel je _____ broer?
157 Smaken ___
Dit smaakt _____ meer!
158 Solliciteren ______
Heb je gesolliciteerd ______ die baan.
159 Spijt hebben ____
Ik heb spijt ______ die opmerking.
160 Zich specialiseren ____
Hij wil zich specialiseren ____
kindergeneeskunde.
161 Stoppen ____
Veel mensen stoppen op 1 januari
_____ roken.
162 In strijd zijn ____
Dat is in strijd _____ de voorschriften.
163 Staren ____
Zit niet zo ______ me te staren!
164 In staat zijn ____
Is hij ____ zo iets in staat?
165 Stil staan ____
Goh, daar heb ik nooit ____ stil
gestaan.
166 Storen _____
Stoor jij je ook zo _______ mensen
die hard rijden in woonwijken?
167 Staan _____
Ik sta er_____ dat je hier niet rookt.
168 Stemmen _____
_______ welke partij ga je
stemmen?
169 Tekort hebben _____
De moderne mens heeft een tekort
____ tijd.
170 Teleurgesteld zijn ____
Ik ben zo teleurgesteld ______ je
vriendschap.
171 Tevreden zijn ______
De docent was niet tevreden _____
de resultaten van zijn leerlingen.
172 Toelaten ____
Alleen met een geldig diploma
kunnen wij u toelaten ____ de
opleiding.
173 Trakteren ____
In Nederland trakteren veel mensen
____ taart als ze jarig zijn.
174 Trek hebben ____
Ik heb zo’n trek _____ koffie!
175 Toevoegen _____
Ik wil daar graag iets _____ toe-
voegen.
176 Trots zijn _____
Zij zijn erg trots _______ hun
kinderen.
177 Trouwen ____
_____ wie is zij getrouwd?
178 Twijfelen _____
Ik twijfel sterk _______
zijn woorden.
179 Uitkijken ______
Kijk uit _____ die auto!
180 Uitkijken ______
Ik kijk erg uit ______ de vakantie.
181 Vatbaar zijn ____
Zij is erg vatbaar ______ griep.
182 Vechten ____
De kinderen vechten ____ elkaar.
183 Vechten ____
Ik vecht _____ de slaap.
184 Verantwoordelijk zijn ___
Iedereen is verantwoordelijk ____
zijn eigen gedrag.
185 Verdacht zijn ____
Hij wordt verdacht _____ diefstal.
186 Zich verdiepen ____
Hij verdiept zich al jaren ____ insecten.
187 Verdriet hebben
Ik heb zo veel verdriet _____ die opmerking.
188 Vergelijken ____
Je moet appels niet _____ peren vergelijken.
189 Zich vergissen ____
Ik heb me _____ het telefoonnummer vergist.
190 Zich verheugen _____
Ik verheug me erg _____ het feest.
191 Verlangen ____
Ik verlang _______ je.
192 Verslaafd zijn _____
Veel mensen zijn verslaafd _____
roken.
193 Verstand hebben ____
Heb je verstand _____ computers?
194 Verwijzen _____
De huisarts verwees me ______ de specialist.
195 Zich voorbereiden ____
Je moet je goed voorbereiden _____ het examen.
196 De voorkeur geven ______
Veel mensen geven de voorkeur _____ een tweedehands auto.
197 Van mening verschillen ____
Daar______ verschillen we van
mening.
198 Zich verbazen ____
Verbaas jij je soms ook zo _____
zijn gedrag?
199 Zich verzekeren ______
Je moet je wel verzekeren ______
ongevallen.
200 Vertalen _____ / ______
Is dit boek vertaald _____ het
Engels?
201 Vertellen _____
Heb ik je al verteld ______die film?
202 Zich verzetten ____
Veel mensen verzetten zich
_______ de nieuwe belastingmaatregel.
203 Voldoen _____
U voldoet niet ______ de eisen.
204 Vluchten ____
Hij is _______ de politie gevlucht.
205 Voorafgaan ____
Dit hoofdstuk gaat vooraf ______ het volgende.
206 Vragen ____
Ik vraag hem ______ zijn gezondheid.
207 Vragen _____
Zij vroeg ____ een glas water.
208 Vragen _____
Ik wil iets vragen _____ de grammatica.
209 Vragen ____
Ik heb geen idee, vraag het maar _____ iemand anders.
210 Waarschuwen ______
Ik heb je gewaarschuwd ______
de gevolgen.
211 Wachten _____
Ik wacht al twintig minuten _____
de bus.
212 Zeker zijn _____
Ben je daar wel zeker _____?
213 Zin hebben ______
Ik heb daar helemaal geen zin ____.
214 Zoeken _____
Ik zoek al een uur _____ mijn sleutels.
215 Zorgen ____
Zorgt zij wel goed ______ zichzelf?
216 Zich zorgen maken _____
Maak je daar toch niet zo zorgen _________
217 Zakken _____
Ben je gezakt _______ het examen?
218 Zeker zijn _____
Ik ben daar nog niet zo zeker ________.
219 Zeuren _______
Hij zit altijd te zeuren ________ zijn salaris.
