Exercises

The exercises are only available on the 'old forum', i.e. the forum before the January 2008 update. You can still do the old exercises here: www.dutchgrammar.com/forum/quiz.php
iandominicp77
Waardevol lid
Posts: 53
Joined: Sun Aug 14, 2005 10:21 am
Country of residence: Netherlands
Location: Ridderkerk
Contact:

Exercises

Post by iandominicp77 » Tue Nov 29, 2005 5:12 pm

Hallo,

This post is basically intended for "the beginners". These are exercises about the 3 main tenses that are commonly used by the dutch speakers(in my own humble opinion). These are the Simple Present (Present Tense), Simple Past (Past Tense) and the Present Perfect. And I find it better to master these 3 tenses before undertaking the other ones....

I got these exercises from the internet more than a year ago. But before going to the exercises, let's first have a background about the different conjugations of verbs in their respective tenses......

Het werkwoord "werken"- to work

Present ---------- Past ---------- Present Perfect

1 Ik werk ----------Ik werkte ----------Ik heb gewerkt
2 Jij werkt ----------Jij werkte ---------Jij hebt gewerkt
3 Hij/zij/het werkt -----Hij,etc. werkte-----Hij,etc. heeft gewerkt


1 Wij werken -----Wij werkten -----Wij hebben gewerkt
2 Jullie werken -----Jullie werkten -----Jullie hebben gewerkt
3 Zij werken -----Zij werkten -----Zij hebben gewerkt

* Werken is under KoFSCHiP......

"luisteren"- to listen

1 Ik luister ---------- Ik luisterde ---------- Ik heb geluisterd
2 Jij luistert --------- Jij luisterde ---------- Jij hebt geluisterd
3 Hij/zij/het luistert--- Hij,etc. luisterde ----Hij,etc. heeft geluisterd

1 Wij luisteren ----- Wij luisterden --------- Wij hebben geluisterd
2 Jullie luisteren --- Jullie luisterden ------- Jullie hebben geluisterd
3 Zij luisterden ----- Zij luisterden --------- Zij hebben geluisterd

* You can try to conjugate these verbs now in all 3 tenses....

wandelen(to walk), poetsen(to brush), fietsen(to bike), winkelen(to go shopping), antwoorden(to answer)



Tenses of "zijn" - to be

1 Ik ben ----------- Ik was ---------- Ik ben geweest
2 Jij bent ---------- Jij was ---------- Jij bent geweest
3 Hij is ------------- Hij was --------- Hij is geweest

1 Wij zijn ---------- Wij waren ------ Wij zijn geweest
2 Jullie zijn -------- Jullie waren ---- Jullie zijn geweest
3 Zij zijn ----------- Zij waren ------ Zij zijn geweest


Tenses of "hebben" - to have

1 Ik heb ---------- Ik had ---------- Ik heb gehad
2 Jij hebt --------- Jij had --------- Jij hebt gehad
3 Hij heeft -------- Hij had --------- Hij heeft gehad

1 Wij hebben ----- Wij hadden ---- Wij hebben gehad
2 Jullie hebben --- Jullie hadden --- Jullie hebben gehad
3 Zij hebben ----- Zij hadden ------ Zij hebben gehad


NOW WE CAN START WITH THE EXERCISES...... A - is Present, B - is Past and C - is Present perfect......

1. Ik (zijn) (g)een meisje.
A - Ik ben geen or een meisje.
B - Ik was geen or een meisje.
C - Ik ben geen or een meisje geweest.

These sentences sounds very weird...... This is open for discussion...

2. Mary (zijn) ook een meisje.
A -
B -
C -

3. (Zijn) jij een man of een vrouw?
A-
B-
C-

4. Hij (hebben) een goed boek.
A-
B-
C-

5. (Hebben) jij ook een mooi boek?
A-
B-
C-

6. De jongen (wandelen) in de tuin.
A-
B-
C-

7. Ian (werken) in de stad.
A-
B-
C-

8. (Luisteren) jullie naar de radio.
A-
B-
C-

9. Philip (luisteren) niet.
A-
B-
C-

10. Hij (praten) te veel.
A-
B-
C-

11. De atleet (oefenen) elke morgen.
A-
B-
C-

12. Waar (planten) je vader de boom?
A-
B-
C-

13. Ik (kennen(to know the person) de vrouw niet.
A-
B-
C-

14. Laura (branden) haar vinger.
A-
B-
C-

15. (Zagen(to saw, to cut) jij het hout voor het vuur?
A-
B-
C-

16. (Wonen) to live) je vrienden in Rotterdam?
A-
B-
C-

17. Nee, zij (wonen) in Den Haag.
A-
B-
C-

18. Ik (pakken) het boek van de tafel.
A-
B-
C-

19. Waar (zijn) het boek?
A-
B-
C-

20. Het kind (spelen)(to play) buiten(ouside).
A-
B-
C-

21. Waar (maken) ze auto´s?
A-
B-
C-

22. Zij(singular)(studeren) Nederlands.
A-
B-
C-

23. De student (beantwoorden) de vraag(question).
A-
B-
C-

24. (Oefenen) jij elke(every) dag op de piano?
A-
B-
C-

25. De speler (raken)(to touch) be bal.
A-
B-
C-


This is just for now...... and we´ll see how it goes....

ian
Veel succes met nederlands leren!!!

User avatar
EetSmakelijk
Retired moderator
Posts: 691
Joined: Fri Sep 02, 2005 2:33 am
Country of residence: Canada
Mother tongue: English (Canada)
Second language: French
Third language: Dutch
Gender: Female
Location: Canada

Post by EetSmakelijk » Tue Nov 29, 2005 6:29 pm

Hallo...
I just tried to do some of these...
I have a headache, but I think maybe some of that stuff is a little bit more drilled in now... :razz:
I couldn't get it all finished because my poor head was just not wanting anymore Dutch...
:wink:
I have all these words floating around im my mind now... Man, this language is hard! :razz:
I applaud you for posting this though, I think a forum for exercises would be cool.
We could maybe correct each other or something.
Please, no more verbs!
If I hear ik werk, ik werkte, ik heb gewerkt one more time I shall scream! :wink:
:lol:
Very difficult but fabulous idea!
Met conjugated verb groetjes,
ES, S'je, Saartje, of EetSmakelijk
:P
Mijn Esnips account is:
http://www.esnips.com/web/EetSmakelijksDutchStuff

iandominicp77
Waardevol lid
Posts: 53
Joined: Sun Aug 14, 2005 10:21 am
Country of residence: Netherlands
Location: Ridderkerk
Contact:

Hoi EetSmakelijk

Post by iandominicp77 » Tue Nov 29, 2005 11:31 pm

Hallo,

Maybe one can specify his or her answers to the exercises by stating the # of the said exercise so that beginners can interact with one another or something.....

And native speakers, you can guide us :idea: ...... allow us to do the exercises :) and correct us :( when you find flaws in our work... Snap je? :wink:


ian
Veel succes met nederlands leren!!!

User avatar
Bieneke
Site Administrator
Posts: 1966
Joined: Wed Aug 10, 2005 10:18 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Gender: Female
Location: Maastricht

Post by Bieneke » Wed Nov 30, 2005 12:05 am

Goed idee 8)

Natuurlijk kijken we jullie antwoorden na.

Voorlopig kun je het subforum 'exercises' onder 'grammar' vinden.
================
Good idea 8)

Of course, we will check your answers.

For the time being, you can find the subforum 'exercises' under 'grammar'.


Groetjes,
Bieneke

ramin

Post by ramin » Fri Dec 02, 2005 9:39 pm

2. Mary (zijn) ook een meisje.
A - mary is ook een meisje
B -
C -

3. (Zijn) jij een man of een vrouw?
A- ben jij een man of een vrow
B-
C-

4. Hij (hebben) een goed boek.
A- hij heeft een goed boek
B-
C-

I don't know if i understand it correct. what you can answer for B- and C-?

Guest

Post by Guest » Fri Dec 02, 2005 9:41 pm

i understand now :D

2. Mary (zijn) ook een meisje.
A - mary is ook een meisje
B - mary was ook een meisje
C - mary is ook geweest een meisje

(mary also was a girl)


3. (Zijn) jij een man of een vrouw?
A- ben jij een man of een vrow
B- was jij een man of een vrow
C- ben jij geweest een man of een vrow

4. Hij (hebben) een goed boek.
A- hij heeft een goed boek
B- hij had een goed boek
C- hij heeft gehad een goed boek

I don't know if i understand it correct. what you can answer for B- and C-?

User avatar
Bieneke
Site Administrator
Posts: 1966
Joined: Wed Aug 10, 2005 10:18 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Gender: Female
Location: Maastricht

Post by Bieneke » Sat Dec 03, 2005 3:35 pm

Anonymous wrote:i understand now :D

2. Mary (zijn) ook een meisje.
A - mary is ook een meisje
B - mary was ook een meisje
C - mary is ook geweest een meisje geweest

(mary also was a girl)


3. (Zijn) jij een man of een vrouw?
A- ben jij een man of een vrouw
B- was jij een man of een vrouw
C- ben jij geweest een man of een vrouw geweest

4. Hij (hebben) een goed boek.
A- hij heeft een goed boek
B- hij had een goed boek
C- hij heeft gehad een goed boek gehad

I don't know if i understand it correct. what you can answer for B- and C-?
Heel goed!

If a sentence contains more than one verb, we place the finite verb at the beginning and the rest of the verbs at the end.

That is why I moved the past participles in the phrases above (geweest, gehad) to the end of the sentence.
Bieneke

iandominicp77
Waardevol lid
Posts: 53
Joined: Sun Aug 14, 2005 10:21 am
Country of residence: Netherlands
Location: Ridderkerk
Contact:

Post by iandominicp77 » Sun Dec 04, 2005 1:17 pm

Nice try :D ... and goed gedaan Bieneke

Ian :P
Veel succes met nederlands leren!!!

iandominicp77
Waardevol lid
Posts: 53
Joined: Sun Aug 14, 2005 10:21 am
Country of residence: Netherlands
Location: Ridderkerk
Contact:

Post by iandominicp77 » Mon Dec 05, 2005 9:30 pm

5. (Hebben) jij ook een mooi boek?
A- Heb jij ook een mooi boek?
B- Had jij ook een mooi boek?
C- Heb jij ook een mooi boek gehad?

6. De jongen (wandelen) in de tuin.
A- De jongen wandelt in de tuin.
B- De jongen wandelde in de tuin.
C- De jongen heeft in de tuin gewandeld.

7. Ian (werken) in de stad.
A- Ian werk in de stad.
B- Ian werkte in de stad.
C- Ian heeft in de stad gewerkt

8. (Luisteren) jullie naar de radio?
A- Luisteren jullie naar de radio?
B- Luisterden jullie naar de radio?
C- Hebben jullie naar de radio geluisterd?

9. Philip (luisteren) niet.
A- Philip luistert niet.
B- Philip luisterde niet.
C- Philip heeft niet geluisterd.

10. Hij (praten) te veel.
A- Hij praat te veel.
B- Hij praatte te veel.
C- Hij heeft te veel gepraat

* I'm not sure of exercise # 10..... is praten an irregular verb?

Ian :shock:
Veel succes met nederlands leren!!!

User avatar
Bieneke
Site Administrator
Posts: 1966
Joined: Wed Aug 10, 2005 10:18 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Gender: Female
Location: Maastricht

Post by Bieneke » Mon Dec 05, 2005 10:10 pm

Excellent!

Praten is indeed a regular verb.

A tiny little mistake, probably a typo judging from your otherwise perfect answers:

#7
Ian werkt in de stad.

Groetjes,
Bieneke

iandominicp77
Waardevol lid
Posts: 53
Joined: Sun Aug 14, 2005 10:21 am
Country of residence: Netherlands
Location: Ridderkerk
Contact:

Post by iandominicp77 » Sun Nov 19, 2006 3:54 pm

11. De atleet (oefenen) elke ochtend.
A- De atleet oefent elke ochtend.
B- De atleet oefende elke ochtend.
C- De atleet heeft elke ochtend geoefend.

12. Waar (planten) je vader de boom?
A- Waar plant je vader de boom?
B- Waar plante je vader de boom?
C-

13. Ik (kennen(to know the person) de vrouw niet.
A-
B-
C-

14. Laura (branden) haar vinger.
A-
B-
C-

15. (Zagen(to saw, to cut) jij het hout voor het vuur?
A-
B-
C-
Veel succes met nederlands leren!!!

User avatar
Bieneke
Site Administrator
Posts: 1966
Joined: Wed Aug 10, 2005 10:18 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Gender: Female
Location: Maastricht

Post by Bieneke » Sun Dec 10, 2006 6:56 pm

Nice exercise, Iandominic. :-)

I gave the correct answers but they are hidden. If you click on the blue link, the correct answers will be displayed immediately under it (if anyone else would like to use this function: You can use the 'Hide' button).

Give the simple present, the simple past, and the present perfect tense. For example:

11. De atleet (oefenen) elke ochtend.
A- De atleet oefent elke ochtend.
B- De atleet oefende elke ochtend.
C- De atleet heeft elke ochtend geoefend.

[hide=12. Waar (planten) je vader de boom?]A- Waar plant je vader de boom?
B- Waar plantte je vader de boom?
C- Waar heeft je vader de boom geplant?[/hide][hide=13. Ik (kennen(to know the person) de vrouw niet.] A- Ik ken de vrouw niet.
B- Ik kende de vrouw niet.
C- Ik heb de vrouw niet gekend.[/hide][hide=14. Laura (branden) haar vinger. ]A- Laura brandt haar vinger.
B- Laura brandde haar vinger.
C- Laura heeft haar vinger gebrand. [/hide][hide=15. (Zagen(to saw, to cut) jij het hout voor het vuur? ]A- Zaag jij het hout voor het vuur?
B- Zaagde jij het hout voor het vuur?
C- Heb jij het hout voor het vuur gezaagd?[/hide]
Bieneke

User avatar
brilocat
Lid
Posts: 8
Joined: Wed Nov 22, 2006 7:20 pm
Country of residence: Italy
Mother tongue: German
Gender: Female
Location: Italie
Contact:

Re: Exercises

Post by brilocat » Tue Jan 16, 2007 6:22 pm

2.  Mary (zijn) ook een meisje.
A - mary is ook een meisje.
B -mary was ook een meisje.
C -mary is ook een meisje geweest.

3.  (Zijn) jij een man of een vrouw?
A- ben jij een man of een vrouw?
B-was jij een .....
C-ben jij een man of een vrouw geweest?

4.  Hij (hebben) een goed boek.
A- hij heeft een goed boek.
B-hij hadde een ...
C-hij heeft een goed boek gehad.

5.  (Hebben) jij ook een mooi boek?
A-heb jij ook een mooi boek?
B-hadde jij ook een....
C-heb jij ook een mooi boek gehad?

6.  De jongen (wandelen) in de tuin.
A-de jongen wandelen in de tuin.
B-de jongen wandelden in de tuin.
C-de jongen zijn in de tuin gewandeld.

7.  Ian (werken) in de stad.
A-ian werkt in de stad.
B-ian werkte in de stad.
C-ian heeft in de stad gewerkt.

8.  (Luisteren) jullie naar de radio.
A-jullie luisteren naar de radio
B-jullie luisterden naar de radio.
C-jullie hebben naar de radio geluisterd.

9.  Philip (luisteren) niet.
A-philip luistert niet
B-philip luisterde niet
C-philip heeft niet geluisterd

10. Hij (praten) te veel.
A-hij praat te veel.
B-hij praatte te veel.
C-hij heeft te veel gepraat.

11. De atleet (oefenen) elke morgen.
A-de atleet oefent elke morgen.
B-de atleet oefente elke morgen.
C-de atleet heef elke morgen geoefent

12. Waar (planten) je vader de boom?
A-waar plant je vader de boom?
B-waar plantte je vader de boom?
C-waar heeft je vader de boom geplant?

13. Ik (kennen(to know the person) de vrouw niet.
A-ik ken de vrouw niet.
B-ik
C-ik heb de vrouw niet ge....

14. Laura (branden) haar vinger.
A-laura brandt haar vinger.
B-laura brandde haar vinger
C-laura heeft haar vinger gebrandt

15. (Zagen(to saw, to cut) jij het hout voor het vuur?
A-zaag jij het hout voor het vuur?
B-zaagde jij het hout voor het vuur?
C-heb jij het hour voor het vuur gezaagd?

16. (Wonen) to live) je vrienden in Rotterdam?
A-wonen je vrienden in R
B-woonden je vrienden in....
C-hebben je vrienden in R gewoond?

17. Nee, zij (wonen) in Den Haag.
A-nee, zij wonen in den haag
B-nee, zij woonden in ....
C-nee, zij hebben in den haag gewoond

18. Ik (pakken) het boek van de tafel.
A-ik pak het boek van de tafel.
B-ik pakte het boek van de tafel
C-ik heb het boek van de tafel gepakt

19. Waar (zijn) het boek?
A-waar is het boek?
B-waar was het boek?
C-waar is het boek geweest?

20. Het kind (spelen)(to play) buiten(ouside).
A-het kind speelt buiten.
B-het kind speelde buiten
C-het kind heeft buiten gespeelt.

21. Waar (maken) ze auto´s?
A-waar maken ze auto's?
B-waar maakten ze auto's?
C-waar hebben ze auto's gemaakt?

22. Zij(singular)(studeren) Nederlands.
A-zij studeert Nederlands.
B-zij studeerde Nederlands.
C-zij heeft Nederlands studeerd.

23. De student (beantwoorden) de vraag(question).
A-de student beantwoordt de vraag
B-de student beantwoordde de vraag
C-de student heeft de vraag beantwoord

24. (Oefenen) jij elke(every) dag op de piano?
A- oefen jij elke dag op de piano?
B-oefende jij elke dag op de piano?
C-heb jij elke dag op de piano geoefent

25. De speler (raken)(to touch) be bal.
A-de speler raakt de bal.
B-de speler raakte de bal.
C-de speler heeft de bal geraakt.


This is just for now...... and we´ll see how it goes....

ian[/quote]

User avatar
Quetzal
Retired moderator
Posts: 2173
Joined: Sat Nov 04, 2006 11:51 pm
Country of residence: Belgium
Mother tongue: Dutch (Flanders)
Location: Belgium

Re: Exercises

Post by Quetzal » Tue Jan 16, 2007 8:13 pm

brilocat wrote: 4.  Hij (hebben) een goed boek.
A- hij heeft een goed boek.
B-hij hadde een ...
C-hij heeft een goed boek gehad.

5.  (Hebben) jij ook een mooi boek?
A-heb jij ook een mooi boek?
B-hadde jij ook een....
C-heb jij ook een mooi boek gehad?

6.  De jongen (wandelen) in de tuin.
A-de jongen wandelen in de tuin.
B-de jongen wandelden in de tuin.
C-de jongen zijn hebben in de tuin gewandeld.
Dit is niet fout, "jongen" kan een meervoud zijn (van "jong"), maar de bedoeling was dat het het woord "jongen" was, dus "de jongen wandelt/wandelde/heeft gewandeld".
brilocat wrote:11. De atleet (oefenen) elke morgen.
A-de atleet oefent elke morgen.
B-de atleet oefente oefende elke morgen.
C-de atleet heeft elke morgen geoefent geoefend

13. Ik (kennen(to know the person) de vrouw niet.
A-ik ken de vrouw niet.
B-ik kende
C-ik heb de vrouw niet ge.... gekend

14. Laura (branden) haar vinger.
A-laura brandt haar vinger.
B-laura brandde haar vinger
C-laura heeft haar vinger gebrandt gebrand

20. Het kind (spelen)(to play) buiten(ouside).
A-het kind speelt buiten.
B-het kind speelde buiten
C-het kind heeft buiten gespeelt gespeeld.

22. Zij(singular)(studeren) Nederlands.
A-zij studeert Nederlands.
B-zij studeerde Nederlands.
C-zij heeft Nederlands studeerd gestudeerd.
Niet zoals in het Duits dus.
brilocat wrote:24. (Oefenen) jij elke(every) dag op de piano?
A- oefen jij elke dag op de piano?
B-oefende jij elke dag op de piano?
C-heb jij elke dag op de piano geoefent geoefend
Schitterend, brilocat! Twee dingen om op te letten:
- DT op het einde van een voltooid deelwoord kan nooit. Het is D of T.
- Als de verleden tijd eindigt op -de, eindigt het voltooid deelwoord op een D. Als de verleden tijd eindigt op -te, eindigt het voltooid deelwoord op een T.

User avatar
brilocat
Lid
Posts: 8
Joined: Wed Nov 22, 2006 7:20 pm
Country of residence: Italy
Mother tongue: German
Gender: Female
Location: Italie
Contact:

Post by brilocat » Wed Jan 17, 2007 1:53 pm

bedankt voor de .. :o .. corrections.

:-D
brilocat

p.s. ik heb het op het van dale woordenboek gevonden: correcties !!!!!!!!!
bedankt voor de correcties.

Post Reply