Oefeningen

The exercises are only available on the 'old forum', i.e. the forum before the January 2008 update. You can still do the old exercises here: www.dutchgrammar.com/forum/quiz.php
User avatar
thodoris7
Waardevol lid
Posts: 41
Joined: Fri Aug 18, 2006 6:39 pm
Country of residence: Greece
Mother tongue: Greek
Second language: English
Gender: Male
Location: back to Athens
Contact:

Re: Oefeningen

Post by thodoris7 » Tue Mar 25, 2008 9:55 pm

Vul het juiste woord in:

afscheid - beetje - gelukkig - ieder - keer - kwaad - liever - meter - net - spreekt - taal - veel - verspillen - voren - zin -

1. Hoeveel........... ?
2. .............nemen
3. geen............ hebben
4. twee............... lang zijn
5. het ..........vanzelf dat / het is vanzelfsprekend dat
6. de Franse...........
7. ............... maken
8. een ................geduld
9. hij is ..............weggegaan
10. .............minder
11. naar..............
12. ik drink............. wijn dan bier
13. in ..............geval
14. tijd verliezen / tijd..............
15. dat geeft niets / dat kan geen ..............
join Multicultural Open Forum Of Europe ( http://www.mofeu.eu/forum ) so we can fun.

User avatar
Joke
Retired moderator
Posts: 1974
Joined: Fri Jan 20, 2006 8:14 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Third language: German
Fourth language: French
Fifth, sixth, seventh, ..., languages: Russisch (in progress...)
Gender: Female

Re: Oefeningen

Post by Joke » Tue Mar 25, 2008 10:24 pm

Here are the answers (select the text to see them). Sometimes more answers are possible, but this is the only way I can use each word only once.
thodoris7 wrote:1. Hoeveel keer? 'Hoevaak' often sounds better.
2. Afscheid nemen
3. Geen zin hebben
4. Twee meter lang zijn
5. Het spreekt vanzelf dat / het is vanzelfsprekend dat
6. De Franse taal
7. Gelukkig maken Also 'kwaad maken' is possible.
8. Een beetje geduld
9. Hij is net weggegaan
10. Veel minder
11. Naar voren
12. Ik drink liever wijn dan bier
13. In ieder geval
14. Tijd verliezen / tijd verspillen
15. Dat geeft niets / dat kan geen kwaad
PS. The almost invisible colour that I used here is #E8E8E8. Is there a way to use hidden text on this new forum?

User avatar
Joke
Retired moderator
Posts: 1974
Joined: Fri Jan 20, 2006 8:14 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Third language: German
Fourth language: French
Fifth, sixth, seventh, ..., languages: Russisch (in progress...)
Gender: Female

Re: Oefeningen

Post by Joke » Wed Apr 23, 2008 7:32 pm

Hi all,
Recently, I made two exercises on the past tense for a colleague of mine.
I shall post them here, so that you can try them too.
Select the text for the answers and the English translation.
Regelmatige werkwoorden – Regular verbs
Filll in the correct verb tense in the past tense. For the rules, see the chapter on verbs in the grammar section.

Waarom belde je me niet? [bellen]
Why didn’t you call me?
De man betaalde met een briefje van 100. [betalen]
The man paid with a €100 note.
De honden blaften toen ik binnenkwam. [blaffen]
The dogs barked when I entered.
Het vliegtuig daalde te snel en stortte neer. [dalen, neerstorten]
The plane descended too quickly and crashed.
Het meisje danste de sterren van de hemel. [dansen]
lit. The girl danced the stars from the sky = she danced really well.
De basketballer gooide de bal in de basket. [gooien]
The basketball player threw the ball in the basket.
De patient hoestte heel erg. [hoesten]
The patient coughed severely
Ik feliciteerde hem met zijn verjaardag. [feliciteren]
I congratulated him on his birthday.
Ik hoorde de kat miauwen. [horen]
I heard the cat mewing.
De jongen kuste zijn vriendin voordat hij wegging. [kussen]
The boy kissed his girlfriend before he left.
De secretaresse mailde dat de vergadering was uitgesteld. [mailen]
The secretary e-mailed that the meeting was postponed.
De ouders noemden hun dochtertje Lisa. [noemen]
The parents named their little dochter Lisa.
Die man praatte nooit tegen zijn vrouw. [praten]
That man never spoke to his wife.
Het kind rende naar zijn vader. [rennen]
The child ran to his father.
De programmeur programmeerde een computerspelletje. [programmeren]
The programmer programmed a computer game.
De brandweerman redde een baby uit een brandend huis. [redden]
De fireman saved a baby from a burning house.
Die taart smaakte heel lekker! [smaken]
That cake tasted really good.
De kinderen speelden in de tuin. [spelen]
The children played in the garden.
De fans wilden een handtekening van hun idool [willen]
The fans wanted an autograph from their idol.
Onregelmatige werkwoorden – Irregular verbs
Filll in the correct verb tense in the past tense. There are no rules for irregular verbs; use a dictionary if necessary.

De melk staat niet in de koelkast. [staan]
The milk was (lit. stood) not in the fridge.
De hond liep in de tuin. [lopen]
The dog walked in the garden.
Ik zat de hele avond voor de televisie. [zitten]
I spent (lit. sat) the whole evening in front of the tv.
De leraar dacht dat alle leerlingen hem aardig vonden. [denken]
The teacher thought (that) all pupils liked him. (mind that ‘dat’ is necessary in Dutch!)
Ik moest echt gaan. [moeten]
I really had to go.
De scholier koos wiskunde, maar geen Frans. [kiezen]
The student chose math (as a school subject), but not French.
De politie kon de inbreker niet vinden. [kunnen]
The police couldn’t find the burglar.
Alle buitenlandse studenten gingen met de kerst naar huis. [gaan]
All of the foreign students went home for Christmas.
Mark deed nooit the afwas. [doen]
Mark never did the dishes.
De schipbreukelingen zwommen naar de kust. [zwemmen]
The shipwrecked persons swam to the coast.
Niemand zag dat de goochelaar zijn kaarten liet vallen. [zien]
Nobody saw that the magician dropped his cards.
Het koor zong alleen kerstliedjes. [zingen]
The choir only sang Christmas carols.
Ik wist niet dat hij ook op je feestje zou komen. [weten]
I didn’t know he would also come to your party.
De man keek naar een voetbalwedstrijd. [kijken]
The man watched a soccer match.
Niemand hielp haar toen ze ziek was. [helpen]
Nobody helped her when she was ill.
Hij had nog nooit een boek gezien. [hebben]
He had never seen a book before.
De oude vrouw viel van de trap. [vallen]
The old lady fell down the stairs.
Hij zei dat hij geen honger had. [zeggen]
He said he wasn’t hungry.
Het paard sprong over de hindernis. [springen]
The horse jumped over the obstacle.
Toen ik thuiskwam, sliep je al. [thuiskomen, slapen]
When I came home, you were already asleep.
Hij reed met 100 kilometer per uur door de stad. [rijden]
Hij drove at 100 km/h through the city.
De wolf blies het huisje van het biggetje omver. [blazen]
The wolf blew down the house of the little pig.
Succes!

Joke

Post Reply