Met + infinitive

[werkwoorden]
Regular verbs, irregular verbs, auxiliary verbs, compound verbs... When do we use which tense? What about those strange constructions the Dutch use to make a continuous? "Staat" my book on the shelf or "ligt" it? Ask all about Dutch verbs here.
Post Reply
User avatar
Bieneke
Site Administrator
Posts: 1966
Joined: Wed Aug 10, 2005 10:18 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Gender: Female
Location: Maastricht

Met + infinitive

Post by Bieneke » Sun Feb 26, 2017 1:32 pm

Per e-mail ontvangen:
Hello,

Someone I know who's learning Dutch had these questions for me: "Just wondering, when do you use 'met' +infinitive? Because I've seen sentences like "Wij beginnen met lopen" or something like that. Also how do you make a verb as the subject; e.g. "To make a friend...."?." I'm not really sure how to explain these questions. Can you help please? Thank You.

A native Dutch speaker who moved to the US.
Bieneke

User avatar
BrutallyFrank
Global moderator
Posts: 968
Joined: Fri Apr 20, 2007 3:47 pm
Country of residence: Netherlands
Mother tongue: Dutch (Netherlands)
Second language: English
Third language: German
Fourth language: French
Gender: Male
Location: Eijsden-Margraten

Re: Met + infinitive

Post by BrutallyFrank » Sun Feb 26, 2017 9:35 pm

Ik vond dit op infonu.nl. Het gaat over 'te + infinitief', maar dat maakt in feite niet uit.

Het gebruik van ‘te’ + infinitief is grofweg onder te verdelen in zeven categorieën

1. Na werkwoorden zoals staan en lopen wanneer er tijdens het staan of lopen nog iets anders gebeurt.
2. Na een adjectief dat indirect iets zegt over het infinitief
3. Na bepaalde werkwoorden zoals proberen, vergeten, hopen en dergelijke
4. Na de woorden om, zonder, door, in plaats van, na, teneinde, voor en alvorens
5. Na het woord om, wanneer een bepaald doel wordt beschreven
6. Na de combinatie te + adjectief + om
7. Tussen een artikel en een substantief, wanneer bedoeld wordt: ‘iets dat gedaan moet worden’. bv: ‘de te winnen prijs’


Adjectief = een woord dat iets zegt over een substantief
Substantief = een ding, mens of dier. Je kunt er ‘de’, ‘ het’ of ‘een’ voor zetten
Artikel (lidwoord): de, het, een

1. Na de werkwoorden lopen, staan, zitten, liggen en hangen, wanneer er twee dingen tegelijkertijd plaatsvinden. (in werkelijkheid wordt er niet altijd echt gelopen of gestaan tijdens de andere handeling)

Hij loopt al de hele dag te zeuren (hij zeurt al de hele dag, waarschijnlijk niet steeds lopend)
Ze staan al een uur te wachten
Zij zit te tekenen
Hij ligt nog te slapen
De vlag hangt te wapperen


2. Na een adjectief dat indirect iets zegt over het infinitief

Ik vind het leuk om te tekenen (leuk zegt iets over tekenen)
Het is vervelend om lang te wachten (vervelend zegt iets over wachten)


3. Na de werkwoorden in de volgende tabel
achten dienen hoeven plegen verklaren weigeren
beginnen dreigen (be)horen pogen verlangen wensen
beloven durven hopen proberen verplichten zeggen
beogen dwingen komen schijnen verzuimen zien
besluiten eisen leren staan vinden zijn
bevelen gebieden liggen trachten vóórkomen zitten
beweren gelasten lijken vallen vragen
blijken geloven lopen verbieden vrezen
denken hangen menen vergeten wagen

Hij probeert te komen
Ik weiger hem te helpen
Zij zijn te verslaan
Dat hoor je te doen
Je ziet maar te komen


4. Na de woorden om, zonder, door, in plaats van, na, teneinde, voor en alvorens

Het is onmogelijk om dat te halen
Ik kan niet luisteren zonder me ermee te bemoeien
Je kan alleen winnen door goed je best te doen
Ik denk dat ik mijn mond hou in plaats van me ermee te bemoeien
Na betaald te hebben gingen ze naar binnen
Ze deden goed hun best, teneinde een mooi resultaat te behalen
Voor je ergens mee te bemoeien moet je goed weten waar het over gaat
Alvorens zich ergens mee te bemoeien… (is enigszins ouderwets, schrijftaal)


5. Na het woord om, wanneer een bepaald doel wordt beschreven

Ik ga vroeg naar bed om morgen fit te zijn (het doel is om fit te zijn)
Hij gaat naar de supermarkt om boodschappen te doen (het doel is om boodschappen te halen)
We gaan op vakantie om lekker te relaxen (het doel is om lekker te relaxen)
Beginnen jullie maar vast om niet te veel tijd te verliezen (het doel is om niet te veel tijd te verliezen)


6. Na de combinatie te + adjectief + om

Dit is te mooi om waar te zijn
Hij is te oud om te rennen
Ik ben te opgewonden om mijn mond te houden


7. Tussen een artikel en een substantief, wanneer bedoeld wordt: ‘iets dat gedaan moet worden’, bijvoorbeeld: ‘de te winnen prijs’

Het te kopen product (het product dat gekocht moet worden)
De te vervoeren spullen (de spullen die vervoerd moeten worden)
"Moenie worrie nie, alles sal reg kom" (maar hy het nie gesê wanneer nie!)

Image

estarling
Superlid
Posts: 264
Joined: Mon Apr 07, 2014 7:01 am
Country of residence: Romania
Mother tongue: Romanian
Second language: English
Gender: Male
Location: sailing

Re: Met + infinitive

Post by estarling » Mon Feb 27, 2017 2:54 pm

...
***** De onderlijning van fouten en de kritiek over deze tekst zijn welkom.

Post Reply