princesse wrote:Ik wil graag dat jullie mijn verhaal co
rrigeren
Toen ik naar Nederland kwam, was Nederlands een onduidelijk
e taal voor mij. Ik dacht dat Nederlands alleen uit klanken bestond. Als iemand tegen mij praat
te of
heeft iets
gevraagd vroeg, zei ik altijd ja, ook
op in een situatie waar
moest ik nee
moest zeggen

, en dan begon ik alleen maar te lachen. Soms voelde ik
me boos en stom. Maar toen ik naar school ging om Nederlands te leren begon ik
het een klein beetje
(dus twee woorden) te begrijpen en te praten

.
Als je een nieuwe taal wilt leren spreken is
het normaal dat je in het begin veel fouten maakt en je uitspraak kan ook met een accent zijn, maar so
mmige mensen willen niet naar je luisteren
en daarom begrijpen je
daarom niet.
Een keer ben ik naar een winkel geweest, maar de vrouw
heeft vroeg aan mij iets
gevraagd die dat (of: wat) ik
niet heb
niet begrepen
. De vrouw
heeft had geen zin meer om
uit te
uitle
ggen toen ik
haar vroeg zei haar dat ik
niet heb had niet verstand begrepen wat ze
heeft had gezeg
d.
Dat doet pijn voor mij want ieder
een is niet beter dan andere
n (beter: ...want niemand is beter dan een ander.). Ik praat wel andere talen die andere mensen
niet ke
nnen
niet. Dus
vind ik
vind het vervelend als iemand denk
t dat mensen die
hun taal niet ke
nnen
niet hun taal zijn niet beschaafd
zijn.
Mijn schoonouders die Nederlanders zijn, zeggen altijd dat ik
praat goed en snel Nederland
s praat. Dat geeft wel aanmoed
iging voor mij

.
Ik zie dat een punt waar je wel de mist in gaat de woordvolgorde in bijzinnen (clauses) is. In een bijzin komen de werkwoorden (verbs) altijd achteraan.
Enkele voorbeelden (de werkwoorden zijn groen, de bijzinnen cursief). Links een 'normale' zin, rechts een bijzin.
Ik
ga naar Rome. -> Ik denk
dat ik naar Rome ga.
Hij
is een Nederlander. -> Hij zegt
dat hij een Nederlander is.
Morgen
zal alles anders
zijn. -> Ik hoop
dat morgen alles anders zal zijn.
Waarom
praat je met die man? -> Ik wil weten
waarom je met die man praat.
De vrouw
droeg dure kleren. -> Er was een vrouw in de winkel
die dure kleren droeg.
Even oefenen:
Zijn vader heeft een baard. -> Hij vertelt mij dat ...
Je schoonfamilie helpt jou. -> Het is goed dat ...
Ik ben twee maanden ziek geweest. -> Het is jammer dat ...
Ik wil het huis rood schilderen. -> Ik koop de verf omdat ...
Ze kan goed koken. -> Ik woon naast een vrouw die ...