Soms gebruik je in het Engels of Frans een lidwoord, waar we dit in het Nederlands niet doen. Of andersom.
Geen lidwoord
| Hij is tandarts.
|
| Mijn oma is econoom.
|
- Muziekinstrumenten bespelen
| Zij speelt piano.
|
| Ik speel gitaar.
|
Bepaald lidwoord
| In de winter draag ik warme kleren.
|
| In de herfst zie je overal van die mooie kleuren.
|
| Kun je het ook in het Nederlands zeggen?
|
| Het boek is alleen in het Engels verkrijgbaar.
|
In het algemeen gebruiken we 'het' alleen na voorzetsels, meestal na 'in'. Dus: "Kun je het in het Nederlands zeggen", en "Spreek je Nederlands?"
- Superlatieven (overtreffende trap)
| Welke letter komt het meest voor in het Nederlands?
|
| Je ziet de sterren het duidelijkst in de woestijn.
|
| De dienstplicht werd een paar jaar geleden afgeschaft.
|
| De gezondheidszorg was een belangrijk thema tijdens de verkiezingen.
|