Als voor een aanwijzend voornaamwoord een voorzetzel staat, verandert het in een voornaamwoordelijk bijwoord.
In een schema:
| voorzetsel + dit/deze
|
| hier+voorzetsel
|
| voorzetsel + dat/die
|
| daar+voorzetsel
|
Let op: dit geldt alleen voor onafhankelijke aanwijzend voornaamwoorden. Een aanwijzend voornaamwoord dat voor een zelfstandig naamwoord staat (bijvoorbeeld dit boek, die dag) is niet onafhankelijk en verandert dus niet in een voornaamwoordelijk bijwoord.
Voorbeelden van hoe 'dit' en 'deze' veranderen in 'hier':
Ik heb hiervan geleerd. Niet: Ik heb van dit geleerd.
|
Ze werden hierdoor verrast. Niet: Ze werden door dit verrast.
|
Ze heeft hiernaar verlangd. Niet: ze heeft naar dit verlangd.
|
Voorbeelden van hoe 'die' en 'dat' veranderen in 'daar':
Hij heeft daarop gelet. Niet: Hij heeft op dat gelet.
|
Ze zaten daarachter. Niet: Ze zaten achter dat.
|
Hij heeft ze daarin gestopt. Niet: Hij heeft ze in dat gestopt.
|