Je bent hier: Grammatica > Voornaamwoorden > Persoonlijk voornaamwoorden

Persoonlijk voornaamwoorden
  • Klik hier om de pagina af te drukken. Alleen de tekst in de middelste kolom wordt afgedrukt
  • Verstuur deze pagina per e-mail
  • {Voeg deze pagina toe aan je favorieten [IE])
  • Meld een fout
  • Bekijk de wikicode van deze pagina

Vertaald uit het Engels door Bieneke Berendsen

Nu we de voornaamwoordelijk bijwoorden hebben besproken, kunnen we verdergaan met de voornaamwoorden. Hier gaat dit hoofdstuk tenslotte om.

We beginnen met de meest gebruikelijke voornaamwoorden: de persoonlijk voornaamwoorden.

We gebruiken een persoonlijk voornaamwoord om dingen of mensen te vervangen. Bijvoorbeeld: "We gaan naar school" of "Mijn lerares zei het"

We gebruiken verschillende voornaamwoorden voor onderwerp (subject) en voorwerp (object).

Persoonlijk voornaamwoorden voor een onderwerp (subject)

Ik werk in een supermarkt.
We komen te laat!
Hij is vegetariër.

Persoonlijk voornaamwoorden voor een voorwerp (object)

Het goede nieuws is dat we dezelfde voornaamwoorden gebruiken voor het lijdend voorwerp (direct object) en het meewerkend voorwerp (indirect object).

Ik hoorde hem op de radio.
Heb je ze niet gezien?
Dat heb je aan mij beloofd.

We maken dus een onderscheid tussen onderwerp en voorwerp. Daarnaast maken we ook onderscheid tussen benadrukte en onbenadrukte voornaamwoorden. Dit betekent dat veel persoonlijk voornaamwoorden twee versies kennen: een benadrukte en een onbenadrukte. We bespreken dit op de volgende pagina's.


Vragen? Vragen?
     Bezoek ons forum!
Laatst bijgewerkt op: June 21, 2008 ::