Nu we de voornaamwoordelijk bijwoorden hebben besproken, kunnen we verdergaan met de voornaamwoorden. Hier gaat dit hoofdstuk tenslotte om.
We beginnen met de meest gebruikelijke voornaamwoorden: de persoonlijk voornaamwoorden.
We gebruiken een persoonlijk voornaamwoord om dingen of mensen te vervangen. Bijvoorbeeld: "We gaan naar school" of "Mijn lerares zei het"
We gebruiken verschillende voornaamwoorden voor onderwerp (subject) en voorwerp (object).
Persoonlijk voornaamwoorden voor een onderwerp (subject)
| Ik werk in een supermarkt.
|
| We komen te laat!
|
| Hij is vegetariër.
|
Persoonlijk voornaamwoorden voor een voorwerp (object)
Het goede nieuws is dat we dezelfde voornaamwoorden gebruiken voor het lijdend voorwerp (direct object) en het meewerkend voorwerp (indirect object).
| Ik hoorde hem op de radio.
|
| Heb je ze niet gezien?
|
| Dat heb je aan mij beloofd.
|
We maken dus een onderscheid tussen onderwerp en voorwerp. Daarnaast maken we ook onderscheid tussen benadrukte en onbenadrukte voornaamwoorden. Dit betekent dat veel persoonlijk voornaamwoorden twee versies kennen: een benadrukte en een onbenadrukte. We bespreken dit op de volgende pagina's.