"Het zijn mooie schoenen", klinkt misschien een beetje raar. 'Het' is een enkelvoudig onderwerp, dus verwachten we in deze zin 'is' (niet 'zijn'). Toch zeggen we het zo in het Nederlands.
| Het zijn inheemse planten.
|
| Het waren aardige buren.
|
We doen dit alleen als 'ze' is gekoppeld aan een zelfstandig naamwoord. '(Inheemse) planten' en '(aardige) buren' zijn zelfstandig naamwoorden.
In de volgende voorbeelden is 'ze' gekoppeld aan een bijvoeglijk naamwoord. Hier gebruiken we gewoon 'ze zijn' (niet 'het zijn').
| De planten
| Ze zijn inheems.
|
| De buren
| Ze waren aardig.
|
'Inheems' en 'aardig' zijn bijvoeglijk naamwoorden.
Zie je het verschil?
| Het zijn inheemse planten.
| Ze zijn inheems.
|
| Het waren aardige buren.
| Ze waren aardig.
|
Hetzelfde gebeurt met de aanwijzend voornaamwoorden dit en dat.