Veel persoonlijk voornaamwoorden hebben twee vormen: een benadrukte en een onbenadrukte vorm.
Voor 'hem', 'ons' en 'jullie' hebben we geen aparte vormen.
Als we een ding (of meer dingen) willen benadrukken, gebruiken we een aanwijzend voornaamwoord. Let op: we doen dit alleen voor dingen, niet voor personen.
Voorbeelden
Me en mij:
| Onbenadrukt
| Ze zei het tegen me.
|
| Benadrukt
| Ze zei het tegen mij, niet tegen jou.
|
Je en jou:
| Onbenadrukt
| Ik praat tegen je.
|
| Benadrukt
| Ik praat tegen jou, niet tegen haar.
|
Ze en haar:
| Onbenadrukt [Vlaanderen]*
| Ik heb ze een brief gestuurd.
|
| Benadrukt
| Haar heb ik een brief gestuurd (niet hem).
|
(*) In Nederland bestaat er geen aparte vorm voor onbenadrukt 'haar'.
Het en dit/dat:
| Onbenadrukt
| Ik wel het niet zien.
|
| Benadrukt
| Dit wil ik niet zien (maar dat wil ik wél zien).
|
Ze en hun/hen (personen):
| Onbenadrukt
| Hij ging met ze mee.
|
| Benadrukt
| Hij ging met hen mee in plaats van met ons.
|
Ze en deze/die (dingen):
| Onbenadrukt
| de schoenen
| Ik draag ze elke dag.
|
| Benadrukt
| de schoenen
| Die draag ik elke dag.
|