'Het' en 'ze' zijn de enige persoonlijk voornaamwoorden die in een voornaamwoordelijk bijwoord kunnen veranderen. Dit gebeurt als er een voorzetsel voor staat.
Let op: we doen dit alleen als het voornaamwoord een ding vervangt. Voor personen gebruiken we geen voornaamwoordelijk bijwoord.
| voorzetsel + het
|
| er+voorzetsel
|
| voorzetsel + ze
|
Let op: dit gebeurt alleen met het voornaamwoord 'het', niet met het lidwoord.
Voorbeelden ('het' verandert in 'er')
| Hij heeft erop gewacht.
| Niet: hij heeft op het gewacht.
|
| Ik heb ervan genoten.
| Niet: ik heb van het genoten.
|
| Ze zaten ervoor
| Niet: ze zaten voor het.
|
Voorbeelden ('ze' verandert in 'er')
Met 'ze' (het meervoud van 'het') gebeurt hetzelfde:
| We hebben erop gewacht (op de boeken).
| Niet: We hebben op ze gewacht.
|
| Ze heeft ervan genoten (van haar boeken).
| Niet: ze heeft van ze genoten.
|
| Ze zater ervoor (voor de gordijnen)
| Niet: ze zaten voor ze.
|
Onthoud dat dit alleen gebeurt met dingen, niet met personen. Als 'ze' verwijst naar personen, dan vervangen we het niet door 'er'.
Als je zegt: "We hebben op ze gewacht", dan heb je op personen gewacht. Vergelijk het maar met de eerste zin in bovenstaande tabel.