Een wederkerend voornaamwoord wordt gebruikt als het onderwerp en het lijdend voorwerp van een zin dezelfde persoon zijn. Bijvoorbeeld: 'Ik was me'. Het onderwerp 'ik' en het lijdend voorwerp 'me' zijn dezelfde persoon. De handeling die ik uitvoer, keert weer (=terug) naar mij. Vandaar het woord 'wederkerend' voornaamwoord.
Elk persoonlijk voornaamwoord heeft zijn eigen wederkerende vorm en voor elke vorm bestaat er een benadrukte en een onbenadrukte variant. De benadrukte vorm gebruiken we niet zo vaak.
| Persoonlijk voornaamwoord
| Onbenadrukt wederkerend voornaamwoord
| Benadrukt wederkerend voornaamwoord
|
| ik
| me
| mezelf
|
| je
| je
| jezelf
|
| u
| zich
| uzelf
|
| hij
| zich
| zichzelf
|
| het
| zich
| zichzelf
|
| ze
| zich
| zichzelf
|
| we
| ons
| onszelf
|
| jullie
| je
| jezelf
|
| ze
| zich
| zichzelf
|
Voorbeelden
Er zijn veel wederkerende werkwoorden in het Nederlands. Hier zijn een aantal voorbeelden.
| Ik heb me verslapen.
|
| Je herinnert je dat toch wel?
|
| U kunt zich hier inschrijven.
|
| Het heeft zich verstopt.
|
| Hij liet zich meeslepen.
|
| Ze nam zich voor met roken te stoppen.
|
| We geven ons over.
|
| Jullie verveelden je zeker niet.
|
| Ze ergerden zich aan het lawaai.
|
Voorbeelden van het benadrukte wederkerend voornaamwoord
We gebruiken de benadrukte vorm als je niet zou verwachten dat het lijdend voorwerp hetzelfde is als het onderwerp:
| Ik heb mezelf geknipt.
|
| Hij heeft zichzelf genezen
|
| We snijden onszelf in de vingers
|