We gebruiken dat om te verwijzen naar het-woorden:
| Het boek dat ik wil kopen, is al weken uitverkocht.
|
| Ik vond het verhaal dat hij aan ons voorlas, maar griezelig.
|
| Het concept, dat door mijn collega is bedacht, is een groot succes geworden.
|
| Het vliegtuig, dat voor elke vlucht streng gecontroleerd wordt, verloor tijdens het stijgen een wiel.
|
Dat
Er zijn twee verschillende typen betrekkelijke bijzinnen, die allebei met dat beginnen
Het ene type bijzin geeft je extra informatie. Ook zonder de bijzin is de zin nog goed. Zo'n bijzin wordt een uitbreidende betrekkelijke bijzin genoemd. Voor 'dat' en aan het eind van de bijzin staat in dit geval een komma.
In het andere type is de bijzin een noodzakelijk deel van de zin. Dit noemen we een beperkende betrekkelijke bijzin. In dit soort zinnen staat er geen komma voor 'dat', maar wel aan het eind van de bijzin.
Dat verandert in waar
Als voor dat een voorzetsel staat, verandert het in het een voornaamwoordelijk bijwoord. Dat betekent dat we dat vervangen door waar en het voorzetsel erachter plakken.
| voorzetsel + dat
|
| waar+voorzetsel
|
Verwar dit niet met het aanwijzend voornaamwoord dat, dat verandert in daar.
Het boek waar ik naar op zoek ben. Niet: Het boek naar dat ik op zoek ben.
|
Het verhaal waar we nachtmerries van kregen. Niet: Het verhaal van dat we nachtmerries kregen.
|
Het concept waar mijn collega beroemd mee is geworden. Niet: Het concept met dat mijn collega beroemd is geworden.
|
Het vliegtuig waar we in zaten. Niet: Het vliegtuig in dat we zaten.
|