We gebruiken wie:
- om naar personen te verwijzen na een voorzetsel
- zonder antecedent (verwijzend naar een onzichtbaar hij of zij)
Wie als betrekkelijk voornaamwoord met een voorzetsel
Het betrekkelijk voornaamwoord is die. Als voor die een voorzetsel staat, gebruiken we wie.
De buurvrouw voor wie hij jaren heeft gezorgd. Niet: ..voor die hij jaren heeft gezorgd.
|
De klasgenoot aan wie hij die vraag stelde. Niet: ..aan die hij die vraag stelde.
|
Soms hoor je ook "De buurvrouw waar hij jaren voor heeft gezorgd" en "De klasgenoot waar hij die vraag aan stelde".
Waarvoor en waaraan zijn voornaamwoordelijke bijwoorden. De meeste mensen vinden dat je die voor personen niet zou moeten gebruiken.
Wie zonder antecedent
Wie kan ook gebruikt worden zonder antecedent. Je kunt ook hij die of zij die zeggen, maar wie is veel gebruikelijker in deze gevallen.
| Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
|
| Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.
|
| Wie een prins wil trouwen, moet veel kikkers kussen.
|
Deze zinnen zijn voorbeelden van Nederlandse spreekwoorden.