Je bent hier: Grammatica > werkwoorden > 'Te' + infinitief: dat-werkwoorden

'Te' + infinitief: dat-werkwoorden
  • Klik hier om de pagina af te drukken. Alleen de tekst in de middelste kolom wordt afgedrukt
  • Verstuur deze pagina per e-mail
  • {Voeg deze pagina toe aan je favorieten [IE])
  • Meld een fout
  • Bekijk de wikicode van deze pagina

Vertaald uit het Engels door Bieneke Berendsen

We gebruiken 'te + infinitief' ook voor beknopte bijzinnen.

Een voorbeeld van een beknopte bijzin is "Hij belooft zijn huiswerk te doen".

Het werkwoord 'beloven' introduceert de beknopte bijzin "..zijn huiswerk te doen".

In een normale bijzin zouden we zeggen: "Hij belooft dat hij zijn huiswerk doet". Deze bijzin begint met dat en heeft een onderwerp ('hij') en een persoonsvorm ('doet').

In de beknopte bijzin valt het onderwerp weg. Daarnaast verandert de persoonsvorm 'doet' in 'te doen'. Je kunt hier meer over lezen op de pagina over beknopte bijzinnen.

dat-werkwoorden

Naast 'beloven' zijn er nog een paar werkwoorden die een beknopte bijzin kunnen introduceren. Kijk maar naar onderstaande lijst.

De werkwoorden in deze lijst zijn eigenlijk geen hulpwerkwoorden, maar hoofdwerkwoorden. De constructie 'te + infinitief' staat namelijk in een aparte zin (in een beknopte bijzin).

Omdat de beknopte bijzinnen eigenlijk ingekorte versies zijn van 'dat-bijzinnen', zullen we de werkwoorden 'dat-werkwoorden' noemen.

beloven* Hij belooft vanaf nu op tijd te komen.
beweren Hanneke beweert het te weten
blijken De groenteboer blijkt veel te weten.
denken Piet denkt het te zullen doen.
hopen Loes hoopt erbij te zijn.
lijken Hidde lijkt het leuk te vinden.
menen Ik meende haar te horen.
schijnen De burgemeester schijnt het goed te keuren.
wensen* Mijn broertje wenste koning te zullen worden.

(*) beloven en wensen staan ook in de lijst met om-werkwoorden.

De werkwoorden kunnen ook voor een gewone ondergeschikte bijzin staan, als de bijzin wordt geļntroduceerd door dat:

beloven Hij belooft dat hij vanaf nu op komt.
beweren Hanneke beweert dat ze het weet.
blijken* Het blijkt dat de groenteboer veel weet.
denken Piet denkt dat hij het zal doen
hopen Loes hoopt dat ze erbij zal zijn.
lijken* Het lijkt erop dat' Hidde het leuk vindt.
menen' ik meende dat ik haar hoorde.
schijnen* Het schijnt dat de burgemeester het goedkeurt.
wensen Mijn broertje wenste dat hij koning zou worden

(*) Als blijken, lijken of schijnen een 'dat-bijzin' inluidt, dan is het onderwerp altijd het:

Blijken Het blijkt dat...
Schijnen Het schijnt dat...
Lijken Het lijkt erop dat...

Je kunt niet zeggen: "Ze blijkt dat...".


Vragen? Vragen?
     Bezoek ons forum!
Laatst bijgewerkt op: November 19, 2007 ::