Een transitief hulpwerkwoord gebruiken we als we waarnemen hoe iemand anders (een lijdend voorwerp) iets doet.
Transitieve hulpwerkwoorden worden altlijd gevolgd door een lijdend voorwerp en een infinitief.
De transitieve hulpwerkwoorden zijn:
| horen
| Ik hoor jou piano spelen.
|
| vinden
| Ik vind hem mooi zingen.
|
| voelen
| Ik voel de make-up zitten.
|
| zien
| Hij zag haar over straat lopen.
|
Het werkwoord dat op het hulpwerkwoord volgt, is geen actie van het onderwerp, maar van het lijdend voorwerp (jou, hem, de make-up, en haar).