Als een samengesteld werkwoord onscheidbaar is, dan beschouwen we het als één, ondeelbaar woord,
De tegenwoordige en verleden tijd
In de tegenwoordige en verleden tijd gedraagt het onscheidbare werkwoord zich zoals elk ander werkwoord: we verdelen het niet in stukken (zoals bij de scheidbare werkwoorden), dus het voorzetsel of bijwoord blijft aan het werkwoord vastzitten.
Overleven:
| #
| tegenwoordige tijd
| #
| verleden tijd
|
| ik
| overleef
| ik
| overleefde
|
| je
| overleeft
| je
| overleefde
|
| hij
| overleeft
| hij
| overleefde
|
| we
| overleven
| we
| overleefden
|
| jullie
| overleven
| jullie
| overleefden
|
| ze
| overleven
| ze
| overleefden
|
Het voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord gedraagt zich iets anders: in plaats van (ge+stam+d/t ), het voorzetsel of bijwoord vervangt het voorvoegsel ge-:
Voorzetsel/bijwoord + stam + d/t
Bijvoorbeeld:
Voltooid deelwoord: over+leef+d = overleefd
Onthoud dat we een onscheidbaar werkwoord herkennen aan de klemtoon. De klemtoon ligt op het werkwoord, niet op het voorzetsel of bijwoord.
Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).