Je bent hier: Grammatica > werkwoorden > Onscheidbare werkwoorden

Onscheidbare werkwoorden
  • Klik hier om de pagina af te drukken. Alleen de tekst in de middelste kolom wordt afgedrukt
  • Verstuur deze pagina per e-mail
  • {Voeg deze pagina toe aan je favorieten [IE])
  • Meld een fout
  • Bekijk de wikicode van deze pagina

Vertaald uit het Engels door Bieneke Berendsen

Als een samengesteld werkwoord onscheidbaar is, dan beschouwen we het als één, ondeelbaar woord,

De tegenwoordige en verleden tijd

In de tegenwoordige en verleden tijd gedraagt het onscheidbare werkwoord zich zoals elk ander werkwoord: we verdelen het niet in stukken (zoals bij de scheidbare werkwoorden), dus het voorzetsel of bijwoord blijft aan het werkwoord vastzitten.

Overleven:

# tegenwoordige tijd # verleden tijd
ik overleef ik overleefde
je overleeft je overleefde
hij overleeft hij overleefde
we overleven we overleefden
jullie overleven jullie overleefden
ze overleven ze overleefden

Het voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord gedraagt zich iets anders: in plaats van (ge+stam+d/t ), het voorzetsel of bijwoord vervangt het voorvoegsel ge-:

Voorzetsel/bijwoord + stam + d/t

Bijvoorbeeld:

Voltooid deelwoord: over+leef+d = overleefd

Onthoud dat we een onscheidbaar werkwoord herkennen aan de klemtoon. De klemtoon ligt op het werkwoord, niet op het voorzetsel of bijwoord.

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).


Vragen? Vragen?
     Bezoek ons forum!
Laatst bijgewerkt op: December 11, 2007 ::