Je bent hier: Grammatica > werkwoorden > Zullen en kunnen

Zullen en kunnen
  • Klik hier om de pagina af te drukken. Alleen de tekst in de middelste kolom wordt afgedrukt
  • Verstuur deze pagina per e-mail
  • {Voeg deze pagina toe aan je favorieten [IE])
  • Meld een fout
  • Bekijk de wikicode van deze pagina

Vertaald uit het Engels door Bieneke Berendsen

Zullen en kunnen hebben dezelfde klinkerverandering (van 'u' naar 'a') in het enkelvoud van de tegenwoordige tijd.

Zullen is het hulpwerkwoord voor de toekomende tijd.

Zullen

Tegenwoordige tijd:

ik zal we zullen
je zal/zult* jullie zullen
hij zal ze zullen

Verleden tijd:

ik zou we zouden
je zou jullie zouden
hij zou ze zouden

Voltooid deelwoord: gezuld**

(*) Je zult en je zal zijn allebei correct. (**) We gebruiken het voltooid deelwoord 'gezuld' eigenlijk nooit. We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.

Merk de overeenkomst op tussen zullen en kunnen:

Kunnen

Tegenwoordige tijd:

ik kan we kunnen
je kan/kunt* jullie kunnen
hij kan ze kunnen

Verleden tijd:

ik kon we konden
je kon jullie konden
hij kon ze konden

Voltooid deelwoord: gekund

(*) Je kunt en je kan zijn beide correct.

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).


Vragen? Vragen?
     Bezoek ons forum!
Laatst bijgewerkt op: December 05, 2009 ::