Naast de 'aan het' duratief hebben we nog een duratief: de 'te' duratief.
Met 'te' duratief geef je de fysieke toestand van het onderwerp aan. We gebruiken hiervoor de werkwoorden liggen, zitten, staan en lopen. We gebruiken soms ook hangen, maar dit doen we niet zo vaak.
We vormen de 'te' duratief door:
hangen, liggen, lopen, staan, zitten
+ te + infinitief
Voorbeelden:
| Hij ligt te slapen
|
| Ik zit te lezen
|
| Hij staat te koken
|
| Ik loop te zingen
|
| Ze hangen maar te nietsen
|
De voltooide tijd
De voltooide tijd van de 'te' duratief lijkt op die van de 'aan het' duratief: we schrappen het voorzetsel (te).
| Hij heeft liggen slapen
|
| Ik heb zitten lezen
|
| Hij heeft staan koken
|
| Ik heb lopen zingen
|
| De was heeft hangen drogen
|
Let op! In de voltooide gebruiken we geen voltooid deelwoord (zie hulpwerkwoorden en het voltooid deelwoord). In plaats hiervan schrijven we na hebben de infinitief van liggen, staan, lopen, zitten of hangen.