Als we willen zeggen dat een bepaald actie mogelijk is, kunnen we een bijvoeglijk naamwoord gebruiken. Bijvoorbeeld: "Het geluid is hoorbaar" (we kunnen het horen), of "Het plan is uitvoerbaar" (we kunnen het plan uitvoeren).
In plaats van het bijvoeglijk naamwoord 'werkwoord+baar' kunnen we ook de constructie 'te + infinitief' gebruiken.
We zeggen dan: "Het geluid is te horen", of "Het plan is uit te voeren".
Deze constructie gebruiken we ook voor andere doeleinden, maar dit lees je verderop in dit hoofdstuk (zie te + infinitief.
te + infinitief
Let op! Deze constructie is een bijvoeglijk naamwoord! Het heeft dan ook geen werkwoorstijd (geen tegenwoordige tijd, voltooide tijd, etc.). Dit lijkt nu niet zo belangrijk. Echter, als je de woordvolgorde bestudeert, zul je zien dat een bijvoeglijk naamwoord niet op dezelfde positie staat als de werkwoorden (zie ook (complement).
| jouw haar is kambaar
|
| jouw haar is te kammen
|
| dat is begrijpelijk
|
| dat is te begrijpen
|
Behalve de koppelwerkwoorden, die we vaak combineren met een bijvoeglijk naamwoord, gebruiken we vaak het sterke werkwoord vallen. Als koppelwerkwoord heeft vallen dezelfde betekenis als zijn.
| Valt dat nog te repareren?
|