Voordat we de verleden tijd bespreken, moeten we even stilstaan bij twee soorten werkwoorden.
In het Nederlands maken we onderscheid tussen d- en t-werkwoorden.
Bij een t-werkwoord eindigt de ruwe stam (niet de 'uiteindelijke stam') in een van de medeklinkers t, h, f, c, k, s of p.
Alle andere werkwoorden zijn d-werkwoorden. Dit zijn dus werkwoorden waarvan de stam niet eindigt op een van de deze medeklinkers.
't Kofschip of 't fokschaap
Het is waarschijnlijk best lastig om al de medeklinkers te onthuoden. Om het makkelijk te maken, gebruiken we het woord 't kofschip of 't fokschaap. Deze woorden bevatten elk alle medeklinkers van een t-werkwoord.
V- en z-werkwoorden
Onthoud dat je naar de laatste letter van de ruwe stam moet kijken om te beoordelen of het werkwoord een d- of een t-werkwoord is. De v- en z-infinitieven zijn soms wat misleidend:
| Infinitief
| Ruwe stam
| Stam
| Laatste letter ruwe stam
| In 't kofschip?
| d- of t-werkwoord?
|
| zweven
| zwev
| zweef
| v
| nee
| d-werkwoord
|
| verven
| verv
| verf
| v
| nee
| d-werkwoord
|
| lozen
| loz
| loos
| z
| nee
| d-werkwoord
|
| razen
| raz
| raas
| z
| nee
| d-werkwoord
|
Hoewel de stam steeds eindigt op f of s (beide in 't kofschip) zijn het allemaal d-werkwoorden. De ruwe stam eindigt namelijk steeds op v of z.