Je bent hier: Grammatica > werkwoorden > BreadCrumbs

Lijst met sterke werkwoorden
  • Klik hier om de pagina af te drukken. Alleen de tekst in de middelste kolom wordt afgedrukt
  • Verstuur deze pagina per e-mail
  • {Voeg deze pagina toe aan je favorieten [IE])
  • Meld een fout
  • Bekijk de wikicode van deze pagina

Vertaald uit het Engels door Bieneke Berendsen

Achter de voltooid deelwoorden waarvoor we het hulpwerkwoord zijn gebruiken, staat steeds een asterisk (*).

Het nummer in de laatste kolom verwijst naar een pagina waar de werkwoorden staan gegroepeerd per vervoegingspatroon.

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z

B naar boven

Infinitief verleden tijd enkelvoud verleden tijd meervoud voltooid deelwoord X
bakken bakte bakten gebakken 1
bannen bande banden gebannen 1
barsten barstte barstten gebarsten 1
bederven bedierf bedierven bedorven 2
bedriegen bedroog bedrogen bedrogen 3
beginnen begon begonnen begonnen* 4
behangen behangde behangden behangen 1
bergen borg borgen geborgen 6
bevelen beval bevalen bevolen 7
bezwijken bezweek bezweken bezweken* 5
bidden bad baden gebeden 8
bieden bood boden geboden 3
bijten beet beten gebeten 5
binden bond bonden gebonden 4
blazen blies bliezen geblazen 9
blijken bleek bleken gebleken* 5
blijven bleef bleven gebleven 5
blinken blonk blonken geblonken 4
braden braadde braadden gebraden 1
breken brak braken gebroken 7
brengen bracht brachten gebracht 10
brouwen brouwde brouwden gebrouwen 1
buigen boog bogen gebogen 11

D naar boven

denken dacht dachten gedacht 10
dingen naar dong naar dongen naar gedongen naar 4
dragen droeg droegen gedragen 12
drijven dreef dreven gedreven 5
dringen drong drongen gedrongen 4
drinken dronk dronken gedronken 4
druipen droop dropen gedropen 11
duiken dook doken gedoken 11
dwingen dwong dwongen gedwongen 4

E naar boven

eten at aten gegeten 13

F naar boven

fluiten floot floten gefloten 11

G naar boven

gelden gold golden gegolden 6
genezen genas genazen genezen 13
genieten genoot genoten genoten 3
geven gaf gaven gegeven 13
gieten goot goten gegoten 3
glijden gleed gleden gegleden 5
glimmen glom glommen geglommen 4
graven groef groeven gegraven 12
grijpen greep grepen gegrepen 5

H naar boven

hangen hing hingen gehangen 14
heffen hief hieven geheven ---
helpen hielp hielpen geholpen 2
heten heette heetten geheten 1
hijsen hees hesen gehesen 5
hoeven hoefde hoefden gehoeven 1
houden hield hielden gehouden ---
houwen houwde houwden gehouwen 1

J naar boven

jagen joeg joegen gejaagd 15

K naar boven

kiezen koos kozen gekozen 3
kijken keek keken gekeken 5
klimmen klom klommen geklommen 4
klinken klonk klonken geklonken 4
kluiven kloof kloven gekloven 11
knijpen kneep knepen geknepen 5
kopen kocht kochten gekocht 10
krijgen kreeg kregen gekregen 5
krimpen kromp krompen gekrompen* 4
kruipen kroop kropen gekropen 11
zich kwijten van kweet zich van kweten zich van zich gekweten van 5

L naar boven

lachen lachte lachten gelachen 1
laden laadde laadden geladen 1
laten liet lieten gelaten 9
lezen las lazen gelezen 13
liegen loog logen gelogen 3
liggen lag lagen gelegen 8
lijden leed leden geleden 5
lijken leek leken geleken 5
lopen liep liepen gelopen 16

M naar boven

malen maalde maalden gemalen 1
melken molk molken gemolken 6
meten mat maten gemeten 13
mijden meed meden gemeden 5
moeten moest moesten gemoeten 17

N naar boven

nemen nam namen genomen 7
nijgen neeg negen genegen 5

O naar boven

ontginnen ontgon ontgonnen ontgonnen

(forest), to exploit (mine)

4
ontluiken ontlook ontloken ontloken* 11

P naar boven

pluizen ploos plozen geplozen 11
prijzen prees prezen geprezen 5

R naar boven

raden raadde raadden geraden 1
-- verraden verried verrieden verraden 9
rijden reed reden gereden 5
rijgen reeg regen geregen 5
rijten reet reten gereten 5
rijzen rees rezen gerezen 5
roepen riep riepen geroepen 16
ruiken rook roken geroken 11

S naar boven

scheiden scheidde scheidden gescheiden 1
schelden schold scholden gescholden 6
schenden schond schonden geschonden 6
schenken schonk schonken geschonken 6
scheppen shiep schiepen geschapen ---
scheren scheerde scheerden geschoren ---
schieten schoot schoten geschoten 3
schijnen scheen schenen geschenen 5
schijten scheet scheten gescheten 5
schrijven schreef schreven geschreven 5
schrikken schrok schrokken geschrokken* 4
schuilen school scholen gescholen 11
schuiven schoof schoven geschoven 11
slapen sliep sliepen geslapen 9
slijpen sleep slepen geslepen 5
slijten sleet sleten gesleten 5
slinken slonk slonken geslonken 4
sluipen sloop slopen geslopen 11
sluiten sloot sloten gesloten 11
smelten smolt smolten gesmolten 6
smijten smeet smeten gesmeten 5
snijden sneed sneden gesneden 5
snuiten snoot snoten gesnoten 11
snuiven snoof snoven gesnoven 11
spannen spande spanden gespannen 1
spijten speet speten gespeten 5
spinnen spon sponnen gesponnen 4
splijten spleet spleten gespleten 5
spreken sprak spraken gesproken 7
springen sprong sprongen gesprongen 4
spruiten sproot sproten gesproten 11
spuiten spoot spoten gespoten 11
steken stak staken gestoken 7
stelen stal stalen gestolen 7
sterven stierf stierven gestorven 2
stijgen steeg stegen gestegen 5
stijven steef steven gesteven 5
stinken stonk stonken gestonken 4
stoten stootte stootten gestoten 1
strijden streed streden gestreden 5
strijken streek streken gestreken

(hair)

5
stuiven stoof stoven gestoven 11

T naar boven

treden trad traden getreden 13
treffen trof troffen getroffen 6
trekken trok trokken getrokken 6

V naar boven

vallen viel vielen gevallen 9
vangen ving vingen gevangen 14
varen voer voeren gevaren 12
vechten vocht vochten gevochten 6
verdrieten verdroot verdroten verdroten 3
verdwijnen verdween verdwenen verdwenen 5
vergeten vergat vergaten vergeten 13
verliezen verloor verloren verloren 18
vinden vond vonden gevonden 4
vlechten vlocht vlochten gevlochten 6
vliegen vloog vlogen gevlogen 3
vouwen vouwde vouwden gevouwen 1
vragen vroeg vroegen gevraagd 15
vreten vrat vraten gevreten 13
vriezen vroor vroren gevroren 18
vrijen vree / vrijde vreeën / vrijden gevreeën / gevrijd ---

W naar boven

wassen waste wasten gewassen 1
wegen woog wogen gewogen 6
werpen wierp wierpen geworpen 2
werven wierf wierven geworven 2
weten wist wisten geweten 17
weven weefde weefden geweven 1
wijken week weken geweken 5
wijten weet weten geweten 5
wijzen wees wezen gewezen 5
winden wond wonden gewonden 4
winnen won wonnen gewonnen 4
worden werd werden geworden ---
wrijven wreef wreven gewreven 5
wringen wrong wrongen gewrongen 4

Z naar boven

zeggen zei zeiden gezegd ---
zenden zond zonden gezonden 6
(neer)zijgen zeeg neer zegen neer neergezegen 5
zingen zong zongen gezongen 4
zinken zonk zonken gezonken* 4
zinnen zon zonnen gezonnen 4
zitten zat zaten gezeten 8
zoeken zocht zochten gezocht 10
zuigen zoog zogen gezogen 11
zuipen zoop zopen gezopen 11
zwelgen zwolg zwolgen gezwolgen 6
zwellen zwol zwollen gezwollen* 6
zwemmen zwom zwommen gezwommen 6
zweren zwoer zwoeren gezworen ---
zwerven zwierf zwierven gezworven 2
zwijgen zweeg zwegen gezwegen 5

Basisvormen

De lijst bevat alleen de basisvormen, geen afgeleide werkwoorden. Dus wel laten, maar niet verlaten, overlaten, achterlaten, inlaten, etc.

Dit betekent dat samengestelde werkwoorden niet worden vermeld, behalve als de basisvorm niet afzonderlijk voorkomt. Voor woorden zoals uitzenden of onderzoeken moet je kijken bij zenden en zoeken.

Hetzelfde geldt voor werkwoorden die verschillende voorvoegsels kunnen hebben, zoals be-, ge-, ver-, ont- etc. Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe je het werkwoord verlaten vervoegt, dan moet je kijken bij de L voor laten.


Vragen? Vragen?
     Bezoek ons forum!
Laatst bijgewerkt op: December 05, 2009 ::