Je bent hier: Grammatica > Woordvolgorde > Overzicht van de hoofdzin

Overzicht van de hoofdzin
  • Klik hier om de pagina af te drukken. Alleen de tekst in de middelste kolom wordt afgedrukt
  • Verstuur deze pagina per e-mail
  • {Voeg deze pagina toe aan je favorieten [IE])
  • Meld een fout
  • Bekijk de wikicode van deze pagina

Vertaald uit het Engels door Bieneke Berendsen

Zo ziet een Nederlandse zin er dus uit...

In de afbeelding staan afkortingen. Als je je muis over de afbeelding beweegt, zie je de volledige namen.

Als je op een afkorting klikt, ga je naar een andere pagina. Hier wordt het zinsdeel uitgelegd.

Onderwerp en persoonsvorm Wederkerend voornaamwoord (reflexief pronomen Kort meewerkend voorwerp Kort lijdend voorwerp Er, hier en daar Tijd Manier Plaats Lijdend voorwerp Diverse zinsdelen Eerste deel van een scheidbaar werkwoord De overige werkwoorden

Haal maar eens diep adem. De woordvolgorde is echt het moeilijkste aspect van de Nederlandse taal.

Als je dit hoofdstuk hebt gelezen, dan lijken alle andere hoofdstukken opeens vrij gemakkelijk.

O&P = onderwerp en persoonsvorm WVnw = wederkerend voornaamwoord MV' = kort meewerkend voorwerp
LV' = kort lijdend voorwerp EHD = er, hier, daar TIJD = wanneer
MANIER = hoe PLAATS = waar LV = lijdend voorwerp
DIV = diverse zinsdelen VSW = voorvoegsel van een scheidbaar werkwoord OW = overige werkwoorden

Hoofdzinnen beginnen vaak met iets ander dan [onderwerp + persoonsvorm]. Of ze eindigen op iets anders dan de [overige werkwoorden].

Sommige zinsdelen zijn flexibel. Ze kunnen op verschillende plaatsen staan. Ze kunnen ook vóór [onderwerp + persoonvorm] of na [overige werkwoorden] staan.

Als je het Nederlands goed beheerst, dan kun je de posities zelf variëren.

Welke zinsdelen moet je echt kennen?

Om de theorie te begrijpen, houd je je aan de volgorde van dit hoofdstuk. Echter, dit vraagt veel concentratie. Niet iedereen heeft hier genoeg geduld voor. Uiteindelijk moet je alle zinsdelen kennen. Maar hiervoor hoef je niet alle theorie te leren. Je kunt het ook in de praktijk leren.

Een beetje theorie kan echter geen kwaad. Als je de volgende zinsdelen kent, kun je al een goede zin vormen:

  • Elke zin heeft een onderwerp en persoonsvorm (O&P). De meeste zinnen hebben meer dan één werkwoord. De overige werkwoorden noemen we OW. Je moet echt weten dat een zin begint met OP en eindigt met OW.
  • Het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp komen veel voor. Het meewerkend voorwerp valt onder 'diversen' aan de rechterzijde. Het lijdend voorwerp vinden we in het middenstuk. Het lijdend voorwerp staat óf aan het begin van het middenstuk, óf aan het einde van het middenstuk. Misschien vind je dit te ingewikkeld. Dan plaats je het lijdend voorwerp gewoon altijd aan het einde van het middenstuk. Je zult dan meestal een correcte zin maken. De korte voorwerpen zijn minder belangrijk. Ze komen veel voor, maar het is niet zo erg als je ze verkeerd plaatst.
  • De volgorde tijd-manier-plaats is een goede richtlijn. Als je MANIER en PLAATS verwisselt, is dit niet zo erg. Ze zijn namelijk vrij flexibel. Maar TIJD komt altijd vóór MANIER en PLAATS.

Vragen? Vragen?
     Bezoek ons forum!
Laatst bijgewerkt op: March 29, 2009 ::