Zoek niet naar de term 'kort meewerkend voorwerp' in je grammaticaboek. Ik heb het alleen bedacht om uit te leggen dat een meewerkend voorwerp op verschillende plaatsen in een zin kan staan.
Het meewerkend voorwerp is de 'ontvanger' van het lijdend voorwerp.
Voor het meewerkend voorwerp staat vaak het voorzetsel 'aan' of 'voor'. Bijvoorbeeld: "Ze geeft het boek aan hem" and "Ik heb voor haar een trui gebreid". In het Nederlands hoort het voorzetsel bij het meewerkend voorwerp. De meewerkend voorwerpen zijn dus 'aan hem' en 'voor haar'.
In het Nederlands kunnen we het voorzetsel vaak weglaten. We zeggen dan: "Ze geeft hem het boek", en "Ik heb haar een trui gebreid".
Omdat het meewerkend voorwerp in beide zinnen is gereduceerd tot een enkel voornaamwoord ('hem' en 'haar'), noemen we dit zinsdeel het korte meewerkend voorwerp'.
We vinden het meewerkend voorwerp ergens aan de rechterzijde van de hoofdzin. Maar als we het voorzetsel (aan of voor) weglaten, plaatsen we het meewerkend voorwerp in het linkerdeel van de zin.
| O&P
| MW'
| LV
| OW
|
| Jullie hebben
| hun
| de waarheid
| verteld
|
Hadden we het voorzetsel aan niet weggelaten, dan zou de zin er heel anders hebben uitgezien:
| O&P
| LV
| MW
| OW
|
| Jullie hebben
| de waarheid
| aan hen
| verteld
|
Aan hen is de juiste vorm, maar mensen zeggen ook vaak aan hun. Dit is niet langer meer fout. Zie ook 'hen' of 'hun'?
We kunnen voor ook weglaten. De meeste mensen laten 'voor' niet zo vaak weg, maar in sommige delen van Nederland en Vlaanderen is dit heel gewoon.