De term 'kort lijdend voorwerp' heb ik alleen maar bedacht om uit te leggen op welke plaatsen het lijdend voorwerp in een zin kan staan. Het is dus geen officiële term.
Het lijdend voorwerp is het antwoord op de vraag "Wat [werkwoord] het onderwerp?". [Werkwoord] verwijst naar alle werkwoorden in een zin.
Neem bijvoorbeeld de zin "Hij bakt een appeltaart". Het antwoord op de vraag "Wat bakt hij?", is het lijdend voorwerp, in dit geval 'een appeltaart'.1
Normaal gesproken plaatsen we het lijdend voorwerp in het midden van de zin, maar hier hebben we het later nog over. Echter, als het lijdend voorwerp slechts uit een enkel voornaamwoord bestaat, dan plaatsen we het in het linkerdeel van de zin.
De persoonlijk voornaamwoorden die als lijdend voorwerp kunnen dienen zijn me/mij, je/jou, haar, hem, het, ons, jullie en hen. Zie ook persoonlijk voornaamwoorden.
Een voorbeeld van een hoofdzin met een kort lijdend voorwerp en een wederkerend voornaamwoord:
Het voornaamwoord 'het' is een uitzondering: als korte lijdend voorwerp wordt gevormd door 'het', plaatsen we het onmiddellijk na onderwerp en persoonsvorm (O&P). In het voorbeeld hieronder staat het korte lijdend voorwerp vóór het korte meewerkend voorwerp.
Een voorbeeld van een kort lijdend voorwerp vóór een wederkerend voornaamwoord: "Ik kan het me niet herinneren."
[1] Door bovenstaande vraag te stellen, krijg je niet altijd het lijdend voorwerp als antwoord. Soms is het antwoord een 'ondervindend' voorwerp, zoals in: "Het kan me niet schelen". Als we vragen: "Wat kan het niet schelen?", is het antwoord: "me." Dit is het ondervindend voorwerp. Het staat echter op precies dezelfde plaats als het korte lijdend voorwerp. Het is dus niet zo belangrijk dat je het verschil tussen lijdend voorwerp en ondervindend voorwerp weet.