TIJD geeft antwoord op de vraag "Wanneer?"
Dat betekent dat deze woorden niet onder TIJD vallen: steeds, even, een uur lang. Hoewel deze woorden iets met TIJD te maken hebben, geven ze geen precies tijdstip aan. Met andere woorden, ze geven geen antwoord op de vraag "Wanneer?" maar op vragen zoals "Hoe lang?" of "Hoe vaak?". Alle 'hoe-vragen' vallen onder MANIER.
TIJD komt voor in verschillende vormen:
- Als een bijwoord van tijd, bijvoorbeeld: toen, nu, straks, morgen.
- Als een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld: vorig jaar of verleden jaar, volgende week, komend weekend, aanstaande vrijdag.
- Als een uitdrukking die begint met een voorzetsel, bijvoorbeeld: om, vanaf, rond.
Voorbeelden
'Een half uur' geeft antwoord op de vraag "Hoe lang?" en valt dus niet onder TIJD.
In het voorbeeld hierboven zie je voor TIJD ook een EHD (er). 'Vragen om' is een vaste combinatie. Om het verandert in erom. In deze zin worden er en om gescheiden door twee andere zinsdelen: TIJD en MANIER.
| O&P
| TIJD
| OW
|
| Het toneelstuk is
| om kwart over acht
| begonnen
|
Eén zin kan meerdere TIJD-elementen bevatten:
Hoewel niet verplicht is het het beste om van globaal naar precies te gaan in het geval van meerdere TIJD-elementen. In het voorbeeld hierboven is morgen een globale tijdsaanduiding en vanaf drie uur 's middags een preciezer tijdstip.