Een lijdend voorwerp dat begint met een bezittelijk of aanwijzend voornaamwoord is altijd specifiek.
Als ik praat over mijn bureau, sluit ik alle andere bureaus uit. Als dat bureau opgeruimd moet worden, spreek ik over een specifiek bureau.
Een specifiek lijdend voorwerp staat aan het begin van het middenstuk.
| O&P
| LV
| TIJD
| DIV
| OW
|
| Zij heeft
| haar sleutels
| zojuist
| in de auto
| laten liggen
|
Haar sleutels is een specifiek lijdend voorwerp omdat het verwijst naar een specifieke set sleutels (niet mijn sleutels of jouw sleutels). Omdat het een specifiek lijdend voorwerp is, staat het aan het begin van het middenstuk. In the auto is geen PLAATS, omdat het niet de plaats aangeeft van het onderwerp, maar de plaats van het lijdend voorwerp, dat thuishoort aan de rechterkant van de zin.
Deze zin is een vraag, daarover later meer. Je kunt nu al zien dat de enige verandering plaatsvindt in O&P: het onderwerp en de persoonsvorm zijn van plaats gewisseld.
Op tv is geen PLAATS, want niet het onderwerp (je) maar het lijdend voorwerp (die film) is op tv.