De 'overige werkwoorden' (OW) zijn alle werkwoorden behalve de persoonsvorm. Je vindt de OW helemaal aan het eind van de zin.
Als een zin meer dan een werkwoord heeft, staan de overige werkwoorden aan het eind van de zin. Dus, als er meer dan één OW is, staan ze allemaal bij elkaar.
OW's zijn altijd infinitieven of voltooid deelwoorden. Het hoofdwerkwoord komt meestal als laatste (zie hoofdwerkwoorden).
| O&P
| LV
| OW
|
| De tulpen zullen
| heel veel water
| opnemen
|
| O&P
| MANIER
| DIV
| OW
|
| De mensen willen
| niet langer
| op het eten
| blijven wachten
|
Als in een zin een hulpwerkwoord staat dat te nodig heeft, beschouwen we te als een deel van de OW. Hetzelfde geldt voor aan het, dat we gebruiken voor de duratief.
| O&P
| TIJD
| OW
|
| Zij zitten
| de hele dag
| te kibbelen
|
In het voorbeeld hierboven zorgt het hulpwerkwoord zitten ervoor dat het hoofdwerkwoord kibbelen vooraf wordt gegaan door te.
Het woordje te kan ook voorkomen in het midden van de OW. Dit gebeurt als een van de OW (in plaats van de persoonsvorm) een hulpwerkwoord is dat gevolgd moet worden door te.
(*) Als een voltooid deelwoord dient als hulpwerkwoord, verandert het in een infinitief.
We gebruiken aan het voor de duratief. Aan het wordt ook beschouwd als een deel van de OW:
| O&P
| LV
| OW
|
| Ze zijn
| de huizen aan de overkant
| aan het verbouwen
|