Als voor het persoonlijk voornaamwoord het een voorzetsel staat, gebruiken we er in plaats van het (zie ook 'het' en 'ze' veranderen in 'er').
Niet alleen wordt het vervangen door er, het voorzetsel wordt ook vastgeplakt aan er. Bovendien komt het voorzetsel er niet voor - zoals bij een zelfstandig naamwoord, maar achter het woord er. Het voorzetsel wordt dus een achterzetsel.
We zeggen niet: "Ik hoop op het", maar: "Ik hoop erop". Volgens dezelfde regel verandert in het in erin, over het in erover enzovoort.
De voorzetsels met en tot veranderen respectievelijk in mee en toe. Bijvoorbeeld: tot het wordt ertoe en met het wordt ermee.
Let op! Dit alles geldt alleen voor het persoonlijk voornaamwoord het, niet voor het lidwoord het!
| Ik heb mijn handen met zeep gewassen
|
| Ik heb er mijn handen mee gewassen
|
| Ik heb onder een parpaplu gelopen
|
| Ik heb eronder gelopen
|
| De bal werd over het hek heen* gegooid.
|
| De bal werd eroverheen gegooid
|
(*) Heen is een achterzetsel dat vaak voorkomt in combinatie met voorzetsels die richting uitdrukken, in dit geval met over
Deze/dit en die/dat veranderen op dezelfde manier in hier en daar (zie ook dit/dat wordt hier/daar.