Gesloten vragen beginnen altijd met een werkwoord, de persoonsvorm om precies te zijn. De normale volgorde van onderwerp en persoonsvorm wordt in een vraagzin dus omgedraaid. En een vraag eindigt natuurlijk met een vraagteken.
| Jullie staan meestal vroeg op
|
| Staan jullie meestal vroeg op?
|
Zoals je kan zien is de vraagzin bijna gelijk aan de bevestigende zin. Het enige verschil is dat jullie staan veranderd is in staan jullie.
| Arjan is niet op haar verjaardag gekomen
|
| Is Arjan niet op haar verjaardag gekomen?
|
De zin hierboven is zowel een vraag als een ontkenning. Zoals je ziet, komt niet tussen het middenstuk en de rechterzijde van de zin: op haar verjaardag is een voorzetselvoorwerp, dat aan het begin van de rechterzijde staat.
| Er waren geen getuigen van het ongeval
|
| Waren er geen getuigen van het ongeval?
|
Omdat het onderwerp niet-specifiek is (geen is een onbepaald voornaamwoord), is het woordje er nodig. Zie ook extra 'er' aan het begin van een zin. Als we van zo'n zin een vraag maken, wisselt dit er van plaats met de persoonsvorm, niet het onderwerp (geen getuigen).