Een open vraag begint met een vragend voornaamwoord: wie, wat, waar, enz.
Open vragen worden gevormd op de volgende manier:
- We voegen een vragend voornaamwoord toe aan het begin van de zin
- We verwisselen het onderwerp en de persoonsvorm van plaats (inversie)
De bevestigende zin "Je kunt viool leren spelen" wordt dus:
- "Wanneer kun* je viool leren spelen?"
- "Hoe kun je viool leren spelen?"
- "Waar kun je viool leren spelen?"
(*) Vergeet niet om de t weg te laten bij inversie in zinnen met je/jij. Je kunt wordt kun je.