Een relatieve of betrekkelijke bijzin begint met een betrekkelijk voornaamwoord of een bijwoord dat verwijst naar verwijst naar iets of iemand in de hoofdzin. Bijvoorbeeld: "Dat is de man die hiernaast woont" or "Het liedje dat ik vroeger altijd zong."
Een relatieve bijzin heeft dezelfde woordvolgorde als een ondergeschikte bijzin.
In een relatieve bijzin staan alle werkwoorden aan het eind.
We zijn dezelfde regel al tegengekomen toen we het over de
ondergeschikte bijzin hadden.
Er is een verschil met de ondergeschikte bijzin: in een ondergeschikte bijzin plakt het voegwoord als het ware twee zinnen aan elkaar, maar het voegwoord zelf behoort niet tot een van de twee zinnen.
In een relatieve bijzin is het 'voegwoord' een deel van de zin. Het kan bijvoorbeeld het onderwerp zijn, het lijdend voorwerp of een indicatie van tijd.
'Normale' hoofdzin:
In de relatieve bijzin vinden we PLAATS aan het begin, omdat 'waar' het woord is dat naar de hoofdzin verwijst.
De rest van de woordvolgorde blijft hetzelfde:
We kunnen ook een relatieve bijzin maken die verwijst naar de man in plaats van naar de stad. In dat geval begint de bijzin met het onderwerp:
'Normale' hoofdzin:
| O&P
| TIJD
| OW
|
| Het huis wordt
| deze week
| geschilderd
|
De relatieve bijzin begint met het onderwerp (dat)
| hoofdzin
| onderwerp
| -
| TIJD
| werkwoorden
|
| Ik woon in het huis
| dat
| -
| deze week
| geschilderd wordt.
|
Als we de relatieve bijzin later verwijzen naar het moment waarop het huis geschilderd zal worden, begint de bijzin met TIJD. Opnieuw blijft de woordvolgorde verder gelijk.
| hoofdzin
| TIJD
| onderwerp
| -
| werkwoorden
|
| Ik weet niet
| wanneer
| het huis
| --
| geschilderd wordt.
|
'Normale' hoofdzin:
| O&P
| LV
| MV
| OW
|
| We hebben
| een boek
| voor haar
| gekocht
|
Als we deze zin willen veranderen in een zin met een relatieve bijzin, hebben we de keus om te verwijzen naar het lijdend voorwerp (het boek) of het meewerkend voorwerp (haar). Laten we beide mogelijkheden bekijken.
De relatieve bijzin verwijst naar het lijdend voorwerp:
| hoofdzin
| LV
| onderwerp
| MV
| werkwoorden
|
| Dit is het boek
| dat
| wij
| voor haar
| hebben gekocht
|
De relatieve bijzin verwijst naar het meewerkend voorwerp:
| hoofdzin
| MV
| onderwerp
| LV
| werkwoorden
|
| Dat is het meisje
| voor wie
| we
| het boek
| hebben gekocht
|
'Normale' hoofdzin:
Als we de relatieve bijzin laten verwijzen naar 'met veel plezier' zeggen we niet met wat maar waarmee.
Dit heeft te maken met het voornaamwoordelijk bijwoord, dat verschijnt als een voornaamwoord (wat, in dit geval) na een voorzetsel staat (met). Om het nog moeilijker te maken is met ook nog een van de weinige voorzetsels die veranderen bij het vormen van een voornaamwoordelijk bijwoord. Met verandert dan in mee.
'Normale' hoofdzin:
| O&P
| LV
| OW
|
| Ik wil
| mijn blauwe spijkerbroek
| dragen
|
De relatieve bijzin kan altijd binnen de hoofdzin geplaatst worden:
| hoofdzin
| LV
| onderwerp
| --
| werkwoorden
| hoofdzin
|
| Ik kan de broek
| die
| ik
| --
| wil dragen
| niet vinden
|
Hoewel het altijd mogelijk is om een relatieve bijzin midden in de hoofdzin te plaatsen is het niet aan te raden om dit met lange bijzinnen te doen. Je zinnen worden veel leesbaarder als je lange relatieve bijzinnen achter de hoofdzin plaatst.